ECLI:NL:PHR:2018:1486

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
8 februari 2019
Zaaknummer
18/04717
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 2 Wet BopzArt. 2 lid 3 Wet BopzArt. 8 lid 4 Wet BopzArt. 14a Wet BopzArt. 38 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voorlopige machtiging opname in psychiatrisch ziekenhuis ondanks verzoek tot horen begeleidster

Bij verzoekschrift van 10 augustus 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Den Haag gevraagd om een voorlopige machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging op 29 augustus 2018 voor een periode van drie maanden, gelet op het gevaar dat betrokkene door haar ziekte voor zichzelf en anderen vormt en het onvermogen van begeleiders om de situatie buiten het ziekenhuis te beheersen.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onterecht niet had ingegaan op het verzoek om de vaste begeleidster telefonisch te horen, die tegen de machtiging was. De Hoge Raad oordeelde dat het niet naleven van het voorschrift in artikel 8 lid 4 Wet Pro Bopz geen sanctie kent en dat de rechtbank voldoende informatie had verkregen via de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige die de zaak toelichtte.

Verder wees de Hoge Raad het verweer af dat betrokkene vrijwillig zou meewerken aan het onderzoek na opname, omdat dit niet impliceert dat zij bereid is tot opname en verblijf. Ook het subsidiaire verweer dat een voorwaardelijke machtiging volstaat werd verworpen, omdat de rechtbank aannemelijk had gemaakt dat gedwongen opname noodzakelijk is voor adequate behandeling.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank de voorlopige machtiging terecht heeft verleend en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot opname in het psychiatrisch ziekenhuis blijft van kracht.

Conclusie

Zaaknr: 18/04717 mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 21 december 2018 Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
Officier van Justitie Den Haag
In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank niet is ingegaan op een verzoek tot het horen van een informant en op verscheidene verweren.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift van 10 augustus 2018, op dezelfde datum ter griffie ingekomen, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Den Haag verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (geb. 1952, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene kort tevoren met het oog hierop heeft onderzocht. In rubriek 4.d van deze verklaring is als diagnose vermeld “schizoaffectieve stoornis, nu vooral manische symptomen”.
1.2
Op 29 augustus 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat, de dochter van betrokkene en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.
1.3
Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 29 november 2018. Na te hebben vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis als bedoeld in de Wet Bopz die bestaat uit stemmingsstoornissen (manische of gemengde episode), overwoog de rechtbank:
“De rechtbank is voorts van oordeel dat het hiervoor genoemde gevaar zich voordoet. De betrokkene levert door haar ziekte een gevaar op voor zichzelf en een of meer anderen Er dreigt gevaar voor uitputting, agressie van anderen door hinderlijk gedrag en gevaar om maatschappelijk ten onder te gaan. De betrokkene is zeer snel geagiteerd, maakt ruzie schreeuwt, dreigt en maakt racistische opmerkingen naar begeleiders. De betrokkene overbelast de woonbegeleiders en medebewoners. De begeleiders van de betrokkene kunnen de zorg die de betrokkene nodig heeft niet meer bieden. Daarnaast is er sprake van ernstig decorumverlies, zich buitenshuis vertonen slechts gekleed in incontinentie materiaal.
De rechtbank is tevens van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
De betrokkene heeft te weinig vertrouwen in haar begeleiders bij haar huidige woonvorm waardoor er voor de begeleiders van de betrokkene een onwerkbare situatie dreigt te ontstaan.
De sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft ter zitting verklaard dat de betrokkene dient te worden onderzocht en goed dient te worden ingesteld op medicatie, waarna kan worden bezien of de betrokkene weer in de beschermde woonvorm kan wonen. Dit kan alleen in de instelling goed worden gedaan in verband met het huidige gedrag van betrokkene waarin haar wantrouwen te groot is.
Aangezien de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige heeft verklaard dat de behandelaren in de instelling hebben aangegeven niet langer dan drie maanden nodig te hebben om de betrokkene te behandelen en goed in te stellen op medicatie, zal de rechtbank het verzoek voor drie maanden toewijzen in plaats van de gevraagde zes maanden.”
1.4
Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Onderdeel Iklaagt dat de rechtbank niet is ingegaan op het verzoek van de advocaat om de vaste begeleidster van betrokkene (telefonisch) te horen, zonder dat de rechtbank een motivering voor die beslissing heeft gegeven. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat deze begeleidster tegen het verlenen van een machtiging is. De begeleidster kon niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn omdat zij toen een vrije dag had, maar zij had zich wel bereid verklaard om telefonisch inlichtingen aan de rechtbank te geven [1] . Verder is in de toelichting verwezen naar het bepaalde in artikel 8 lid Pro 4, onder c en f, Wet Bopz dat de rechter zich zo mogelijk doet voorlichten door degene door wie betrokkene wordt verzorgd en door de instelling of psychiater die betrokkene behandelt of begeleidt.
2.2
Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat op het niet naleven van het voorschrift van artikel 8 lid 4 Wet Pro Bopz geen sanctie staat; zie HR 1 juli 1994 (punt 3.3), NJ 1994/723 m.nt. J. de Boer [2] . Overigens blijkt uit de samenvatting van het verweer in de bestreden beschikking (op blz. 1) dat de rechtbank wel in aanmerking heeft genomen dat de begeleidster van betrokkene een rechterlijke machtiging niet nodig vindt. Kennelijk heeft de rechtbank daarin geen reden gezien om anders te beslissen. Dat is niet onbegrijpelijk: de rechtbank heeft ‘de instelling die betrokkene behandelt of begeleidt’ gehoord, hier in de persoon van de ter zitting aanwezige sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, die het verzoek om een voorlopige machtiging heeft toegelicht. Dat deze verpleegkundige – in de redenering van het cassatierekest, blz. 2 – slechts als vervanger bij de rechtbank kwam, doet hieraan niet af.
2.3
Onderdeel IIbevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het ter zitting gevoerde verweer dat betrokkene vrijwillig kan meewerken aan het psychiatrisch onderzoek na opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens de toelichting op de klacht is dit een verweer dat betrekking heeft op het ontbreken van de nodige bereidheid: één van de voorwaarden voor het verlenen van een voorlopige machtiging.
2.4
Aan het verlenen van een voorlopige machtiging stelt artikel 2 lid 3 Wet Pro Bopz de voorwaarde dat de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid ter zake van
opneming en verblijfin een psychiatrisch ziekenhuis [3] . Het verweer dat betrokkene vrijwillig kan meewerken aan een in het psychiatrisch ziekenhuis uit te voeren onderzoek, houdt niet in dat betrokkene bereid is tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Wel kan dit verweer van belang zijn voor de beoordeling of voldaan is aan een andere voorwaarde: dat het door de psychische stoornis veroorzaakte gevaar niet door personen of instellingen buiten het psychiatrische ziekenhuis kan worden afgewend (artikel 2 lid Pro 2, aanhef onder b, Wet Bopz). Met betrekking tot deze voorwaarde is in de geneeskundige verklaring bij rubriek 6.a vermeld dat betrokkene geen inzicht in haar ziekte heeft. De rechtbank is op grond van de mondelinge behandeling niet tot een ander conclusie gekomen, zo blijkt uit het in de beschikking gegeven oordeel “dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft verklaard dat betrokkene dient te worden onderzocht en haar medicatie goed dient te worden ingesteld en dat dit alleen in het psychiatrisch ziekenhuis kan worden gedaan in verband met het wantrouwende gedrag van betrokkene tegenover haar begeleiders in de huidige begeleide woonvorm. De rechtbank heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt waarom een onderzoek (en het instellen van medicatie) op vrijwillige basis zonder gedwongen opneming geen reëel alternatief is. Dat spreekt te meer als daarbij in ogenschouw wordt genomen dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard “Dit huis is niet geschikt voor mij. Ik wordt hier zwaar verwaarloosd. Er worden leugens over mij verteld. Er mankeert niets aan mij” (proces-verbaal, blz. 1). Onderdeel II faalt.
2.5
Onderdeel IIIvervolgt met de klacht dat de rechtbank zonder motivering voorbij is gegaan aan het (subsidiaire) verweer dat volstaan kan worden met het verlenen van een voorwaardelijke machtiging.
2.6
Uit de samenvatting van het verweer in de beschikking blijkt dat de rechtbank heeft onderkend dat subsidiair namens betrokkene is aangevoerd dat een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz ook mogelijk is. Met de toewijzing van het verzoek om een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging heeft de rechtbank de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging onmiskenbaar afgewezen. Die beslissing is niet onbegrijpelijk, gezien de overwegingen van de rechtbank op blz. 2 (derde en vierde alinea), hiervoor aangehaald, en met name de slotoverweging dat het onderzoek en instellen op medicatie van betrokkene alleen goed kan worden gedaan in de instelling, in verband met het gedrag van betrokkene. Ook onderdeel III faalt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.

Voetnoten

1.De advocaat van betrokkene heeft in een (fax)brief aan de rechtbank van 29 september 2018 op onder meer deze punten om aanvulling van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gevraagd. Bij brief van de griffier van 2 oktober 2018 is medegedeeld dat deze brief als aanvulling aan het proces-verbaal wordt aangehecht; zie prod. 8 bij het cassatierekest.
2.Zie ook W. Dijkers, SDU-Commentaar Bopz, artikel 8 Wet Pro Bopz, aant. C.4.2.1; R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz (2012), aant. 80.
3.In het systeem van de Wet Bopz verleent de rechter met een voorlopige machtiging toestemming voor het gedwongen opnemen en verblijf van een patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis. Het tegen zijn wil ondergaan van onderzoek of behandeling kan alleen achteraf aan de rechter worden voorgelegd: zie o.m. art. 38 – 41a Wet Bopz; zie ook W. Dijkers, SDU-Commentaar Wet Bopz, art. 2 Wet Pro Bopz, aant. C.1.3.