Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor mishandeling van een portier van een horecagelegenheid en kreeg een geldboete opgelegd met een subsidiaire hechtenis. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om ter zitting de camerabeelden te mogen bekijken, omdat de verdachte ontkende de persoon op de beelden te zijn. Het hof wees dit verzoek af, omdat het volgens het hof niet noodzakelijk was voor de beslissing, mede omdat zwart-witfoto’s van de beelden al in het dossier zaten en de verdachte op die foto’s niet werd herkend.
De Hoge Raad overwoog dat het tonen van stukken van overtuiging, zoals camerabeelden, onder het noodzaakcriterium valt en dat het hof dit criterium juist heeft toegepast bij de afwijzing van het verzoek. Het hof heeft voldoende gemotiveerd waarom het tonen van de beelden niet noodzakelijk was. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende motivering en verwierp het cassatieberoep.
De uitspraak bevestigt dat rechters niet verplicht zijn om altijd aan een verzoek tot het tonen van stukken van overtuiging te voldoen, maar dit afhangt van de noodzaak voor de bewijsvoering. Het arrest verduidelijkt de toepassing van artikel 309 lid 2 en Pro artikel 315 lid 1 Sv Pro in relatie tot het tonen van camerabeelden.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek om camerabeelden te tonen wordt verworpen.