ECLI:NL:PHR:2017:619

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
17/02231
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 RvArt. 115 RvArt. 30a lid 3 WvBRvVerordening (EG) nr. 1393/2007Verdrag van 15 november 1965 inzake betekening in het buitenland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot verstekverlening na invoering digitaal procederen in vorderingszaken

In deze zaak heeft HRC N.V. cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De verweerster, gevestigd in België, is niet verschenen in cassatie en heeft geen advocaat bij de Hoge Raad gesteld. De procesinleiding en het oproepingsbericht zijn betekend bij de advocaat van de verweerster in Nederland, waar zij woonplaats had gekozen, maar zonder de verplichte termijnmelding conform artikel 115 lid 2 WvBRv Pro.

De kernvraag was of tegen de verweerster verstek kan worden verleend, ondanks dat de betekening niet conform de EG-Betekeningsverordening heeft plaatsgevonden en de termijn voor verschijnen niet correct in de procesinleiding is vermeld. De Hoge Raad overwoog dat artikel 115 WvBRv Pro ruimte laat voor betekening op grond van artikel 63 WvBRv Pro als de verweerster woonplaats heeft gekozen in Nederland.

De parlementaire geschiedenis bevestigt dat in dergelijke gevallen de artikelen 30a lid 3 en 63 WvBRv onverkort van toepassing zijn, ook als de verweerster een woonplaats in een EG-lidstaat heeft. Dit betekent dat verstekverlening tegen de verweerster gerechtvaardigd is. De conclusie van de procureur-generaal strekt dan ook tot verstekverlening.

Uitkomst: Verstek wordt verleend tegen de verweerster wegens het niet verschijnen in cassatie binnen de geldende termijn.

Conclusie

Zaaknummer: 17/02231
mr. J. Wuisman
Rolzitting: 30 juni 2017
CONCLUSIE inzake verstekverlening in de zaak:
De naamloze vennootschap HRC N.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden;
tegen
[verweerster],
verweerster in cassatie,
niet verschenen.

1.Voorgeschiedenis

1.1
Met een op 8 mei 2017 bij de Hoge Raad ingediende Procesinleiding heeft eiseres tot cassatie (hierna: HRC) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 7 februari 2017 tussen HRC als appellante en verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) als geïntimeerde heeft uitgesproken.
1.2
In de Procesinleiding wordt als plaats van vestiging van [verweerster] genoemd [plaats], België. Verder wordt daarin omtrent het verschijnen in cassatie door [verweerster] vermeld dat zij in cassatie ten laatste kan verschijnen op 19 juni 2017 vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.
1.3
De Procesinleiding en het door de Hoge Raad verstrekte Oproepingsbericht zijn op 22 mei 2017 bij deurwaardersexploot op de voet van artikel 63 Rv Pro betekend ten kantore van de advocaat mr. S d’Hooghe, kantoorhoudende aan de Kousteensedijk nr. 3 te Middelburg. Op dit adres had [verweerster] voor de appelinstantie woonplaats gekozen. In de Procesinleiding wordt niet conform het in artikel 115 lid 2 WvBrv Pro bepaalde vermeld dat de termijn voor verschijnen in cassatie minimaal vier weken en maximaal zes maanden is gerekend vanaf de dag van betekening of kennisgeving van het Oproepingsbericht.
1.4
De zaak heeft voor het eerst bij de Hoge Raad gediend ter rolzitting van vrijdag 23 juni 2017. Op dat moment had zich nog geen advocaat bij de Hoge Raad voor [verweerster] gesteld en dat is ook tot op de datum waarop deze conclusie wordt genomen niet gebeurd. Derhalve doet zich de vraag voor of tegen [verweerster] verstek kan worden verleend.

2.Vraagstelling

2.1
[verweerster] is gevestigd in België waar de Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken (hierna: EG-Betekeningsverordening) van toepassing is. In artikel 115 lid 1 WvBRv Pro is voor een dergelijke situatie bepaald dat de termijn voor verschijnen minimaal vier weken en maximaal zes maanden bedraagt, maar verder ook:
“In afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c, vangt de termijn van verschijning aan op de dag na die waarop het oproepingsbericht aan de verweerder is betekend of aan hem is kennisgegeven op een wijze overeenkomstig de voormelde verordening en wordt de termijn van verschijning in de procesopleiding opgenomen in plaats van de dag van verschijning.”
2.2
In de door HRC ingediende Procesinleiding wordt niet vermeld dat voor het verschijnen door verweerder in cassatie een termijn geldt van minimaal vier weken en maximaal zes maanden te rekenen vanaf de betekening of kennisgeving van het Oproepingsbericht, terwijl er ook geen sprake is geweest van een betekening van die Procesinleiding conform de hiervoor genoemde verordening. Brengt een en ander mee dat tegen [verweerster] geen verstek kan worden verleend?

3.Antwoord

3.1
Er heeft, zoals hierboven al vermeld, betekening van de Procesinleiding en het Oproepingsexploot plaatsgevonden op de voet van artikel 63 WvBRV Pro en bij de opstelling van de Procesinleiding is het in artikel 30 a lid 3 WvBRv bepaalde aangehouden. De vraag is of artikel 115 WvBRv Pro ruimte laat voor een betekening op de voet van artikel 63 WvBRv Pro en, zo ja, of dan onverkort van toepassing is hetgeen in artikel 30 a lid 3 WvBRv is bepaald. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, Stb 2016, nr. 290. Van die parlementaire geschiedenis maakt deel uit de Nota van wijziging TK 2015-2016, 34 212, nr 6. In die nota wordt omtrent het huidige artikel 115 WvBRv Pro opgemerkt:
“Voor zowel het eerste als het tweede lid geldt vanzelfsprekend dat als de verweerder in Nederland (tijdelijk) verblijft of in Nederland zijn woonplaats/vestiging heeft gekozen (bijvoorbeeld bij zijn advocaat), dat hij in Nederland kan worden opgeroepen op grond van de regels die in Nederland gelden. Dit artikel ziet (net als het huidige artikel 115) alleen op die situatie waarin het oproepingsbericht niet in Nederland aan de verweerder in persoon of aan de door hem gekozen woonplaats is bezorgd of betekend.”
3.2
Uit dit citaat blijkt duidelijk van de bedoeling van de wetgever om ook in een geval, waarin een verweerder in cassatie niet alleen een bekende woon- of verblijfplaats heeft in een land waar de EG-Betekeningsverordering geldt maar hij in verband met de laatste feitelijke instantie ook woonplaats heeft gekozen bij een advocaat of deurwaarder in Nederland en bij die advocaat of deurwaarder de procesinleiding en het oproepingsbericht worden betekend, onverkort de artikelen 30a lid 3 en 63 WvBRv van toepassing te laten zijn. Hetzelfde kan worden aangenomen, zo volgt uit het bovenstaande citaat, voor het in artikel 115 lid 2 WvBRv Pro genoemde geval dat de verweerder in cassatie naast een bekende woon- of verblijfplaats in een Staat, die partij is bij het op 15 november 1965 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), ook in verband met de laatste feitelijke instantie woonplaats heeft gekozen bij een advocaat of deurwaarder in Nederland.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verstekverlening tegen verweerster in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)