Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 3.10 van de bestreden beschikking en voert aan dat het oordeel van het hof dat het niet buiten zijn rechtsvormende taak ligt om in het onderhavige geval het discriminatoire art. 1:5 lid 1 BWA Pro buiten toepassing te laten, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens het onderdeel is het, gelet op de verschillende wijzen waarop de strijdigheid met onder andere art. 26 IVBPR Pro kan worden opgeheven, exclusief aan de wetgever om te bepalen op welke wijze op het onderhavige terrein het best invulling kan worden gegeven aan art. 26 IVBPR Pro, althans een regel te formuleren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of in voorkomend geval bij erkenning door de vader het kind de geslachtsnaam van de moeder behoudt dan wel die van de vader verkrijgt. Het onderdeel zoekt daarvoor aansluiting bij de reeds genoemde beschikking van de Hoge Raad van 23 september 1988.
onderdeel VIheeft het hof in ieder geval miskend dat het hof de leemte in het namenrecht had moeten opvullen die is ontstaan door art. 1:5 lid 1 BWA Pro buiten toepassing te verklaren, althans had het hof moeten bepalen hoe de regeling luidt op grond waarvan beslist had moeten worden welke geslachtsnaam het kind zou moeten dragen bij erkenning door de vader.
Onderdeel VIIIabouwt hierop voort met de klacht dat het bestaan van de ontwerpwetgeving voor het hof een reden had moeten zijn om zich terughoudend op te stellen bij het buiten toepassing laten van art. 1:5 lid 1 BWA Pro.