ECLI:NL:PHR:2017:361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 21 maart 2016 veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan medeplegen van meervoudige doodslag en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet met betrekking tot grote hoeveelheden verdovende middelen. Daarnaast zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan benadeelde partijen.
Verdachte heeft cassatie ingesteld, waarbij op 3 november 2016 de aanzegging van het cassatieberoep aan verdachte persoonlijk is betekend. Echter is niet gebleken dat binnen de wettelijke termijn van twee maanden een advocaat namens verdachte middelen van cassatie heeft ingediend, wat een vereiste is voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is daarom gericht op de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Deze zaak hangt samen met een andere zaak (nr. 16/01744) waarin een soortgelijke conclusie is getrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.