ECLI:NL:PHR:2017:31

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2017
Publicatiedatum
7 februari 2017
Zaaknummer
15/02733
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-indienen schriftuur in ontnemingszaak

Betrokkene is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot betaling van €35.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen deze beslissing is cassatieberoep ingesteld.

De betrokkene heeft echter niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad, zoals vereist op grond van art. 437 lid 2 Sv Pro in verbinding met art. 511h Sv. Hierdoor kan de Hoge Raad betrokkene niet in zijn cassatieberoep ontvangen.

De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan betrokkene en diens raadsman. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De zaak betreft een ontnemingsprocedure die samenhangt met een strafzaak.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van een schriftuur.

Conclusie

Nr. 15/02733 P
Zitting: 10 januari 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/02710), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 10 februari 2016 in persoon uitgereikt aan de betrokkene op zijn GBA-adres. [1] Bovendien is op 12 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de betrokkene (mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP).