ECLI:NL:PHR:2017:159

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
21 maart 2017
Zaaknummer
16/01580
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 80a ROArt. 365a Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake gewapende woningoverval met schietincident en schadevergoeding

De zaak betreft een gewapende woningoverval waarbij de restauranthouder werd neergeschoten en zijn hond werd gedood. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor subsidiaire diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging, gepleegd door meerdere personen, en kreeg een gevangenisstraf van negen jaar opgelegd. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen aan twee benadeelde partijen.

De verdachte stelde in cassatie twee middelen voor, waaronder een klacht over onvoldoende motivering van het hof ten aanzien van een alternatief scenario en een klacht over schending van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de termijn geen behandeling rechtvaardigt omdat het andere middel met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.

De Hoge Raad verwierp het middel dat het hof onvoldoende had gereageerd op het onderbouwde standpunt van de verdachte. Het hof had uitvoerig gemotiveerd waarom het alternatieve scenario niet aannemelijk was. Daarnaast werd vastgesteld dat verklaringen van de verdachte door het hof als kennelijk leugenachtig waren aangemerkt, ook al was dit niet in alle bewijsoverwegingen expliciet vermeld.

Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van het hof bleef in stand. De vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit werd door de verdachte ingetrokken in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 16/01580
Zitting: 17 januari 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2015 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdachte werd wegens subsidiair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 15/04110), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. [1]
4. Ik bespreek eerst het
tweede middel, waarin samengevat erover wordt geklaagd dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een alternatief scenario, althans dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
4.1. De klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, faalt. Het hof heeft uitvoerig uiteengezet waarom het door de verdachte aangevoerde scenario naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden. [2]
4.2. Ten aanzien van de overige klachten kan ik ook kort zijn. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het hof als bewijsmiddelen 34, 35 en 38 verklaringen van de verdachte gebezigd. Na bewijsmiddel 38 heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen waarin het overweegt dat het “deze hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte alsmede die onder BWM 34” – waarmee kennelijk wordt gedoeld op de bewijsmiddelen 38 respectievelijk 34 – aanmerkt als kennelijk leugenachtige verklaringen om de waarheid te bemantelen.
4.3. Blijkens de toelichting op het middel nemen de klachten tot uitgangspunt dat nu het hof bewijsmiddel 35 in zijn nadere bewijsoverweging niet heeft aangemerkt als een kennelijk leugenachtige verklaring het deze verklaring dus betrouwbaar heeft geacht. Ik meen dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Op grond van de bewijsoverwegingen in het verkorte arrest en in de aanvulling daarop, is het evident dat het hof ook de als bewijsmiddel 35 gebezigde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, maar dit abusievelijk niet in de nadere bewijsoverweging heeft vermeld. De nadere bewijsoverweging in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv dient in die zin verbeterd te worden gelezen. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan de klachten te ontvallen.
4.4. Het middel is evident kansloos en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.
5. Het
eerste middel– dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan. [3]
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij akte van 19 september 2016 is het cassatieberoep van de verdachte ingetrokken voor wat betreft de vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.
2.Zie de overwegingen onder “Het aangevoerde alternatieve scenario” op pagina’s 4-8 van het bestreden arrest.
3.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.2.