In deze zaak ging het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit de teelt van hennep. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had het vonnis van de politierechter bevestigd, waarbij het voordeel werd vastgesteld op €73.007 en betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Betrokkene stelde dat hij slechts €3.500 had verdiend met twee mislukte oogsten hennep, hetgeen hij ook tijdens het hoger beroep naar voren bracht. Het hof achtte deze verklaring niet geloofwaardig en baseerde zich op de verklaring van betrokkene bij de politie waarin geen melding werd gemaakt van mislukte oogsten. Het hof vond aannemelijk dat betrokkene de gehele opbrengst van de oogsten heeft genoten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om nader te motiveren waarom het verweer van betrokkene werd verworpen, omdat het niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt werd gezien. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het opleggen van de betalingsverplichting van €73.007.
De conclusie bevat tevens een bespreking van het draagkrachtverweer dat tijdens het hoger beroep is gevoerd, maar dit heeft de uitkomst niet beïnvloed.