ECLI:NL:PHR:2017:1482

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2017
Publicatiedatum
24 januari 2018
Zaaknummer
16/01623
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak uitlokking medeplegen poging zware mishandeling

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens uitlokking van medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. De verdediging stelde cassatie in met als middel dat de redelijke termijn was overschreden en dat het hof ten onrechte geen rechtsgevolg aan deze overschrijding had verbonden.

De rechtbank had vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar tussen aanhouding en eindvonnis met meer dan vier jaar was overschreden. Het hof oordeelde dat deze overschrijding onwenselijk maar niet onredelijk was, mede vanwege onderzoekswensen van de verdediging, en verbond hieraan geen strafvermindering.

De Hoge Raad stelde vast dat de onderzoekswensen van de verdediging beperkt waren (verzoek tot horen van vier getuigen, waarvan twee toegewezen, en het mogen uitluisteren van audioverhoren) en dat de substantiële overschrijding van de redelijke termijn hierdoor niet gerechtvaardigd was. Het oordeel van het hof dat geen rechtsgevolg aan de overschrijding verbonden hoefde te worden, was zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest voor wat betreft de strafduur en besloot de straf te verminderen. Er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De zaak illustreert het belang van het recht op een redelijke termijn in strafzaken en de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij overschrijding.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde gevangenisstraf wegens onrechtvaardige overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 16/01623
Zitting: 14 november 2017 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 18 maart 2016 de verdachte ter zake van
‘uitlokking van medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad’veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek als bedoel in art. 27 Sr Pro. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van twee jaren verbonden.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/01542. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. B.W.J. Krämer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelklaagt over ’s hofs oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro en over de (onbegrijpelijke) verwerping van een daarop gegrond verweer.
5. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen met de aanhouding van de verdachte op 7 mei 2010. Op 2 september 2014 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen, hetgeen inhoudt dat tussen de eerste daad van vervolging en het (eind)vonnis meer dan vier jaren zijn verstreken. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:
“(…): de redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek is betracht.
De rechtbank constateert en stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn onwenselijk lang, maar niet onredelijk lang is geweest en zal daarom aan die overschrijding geen rechtgevolg verbinden in de vorm van strafvermindering. De rechtbank heeft zich bij die afweging onder meer laten leiden door de ernst van het feit.”
6. Uit de aan het hof overgelegde pleitnotitie blijkt dat in hoger beroep, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende verweer is gevoerd:
“Tijdsverloop
Het is inmiddels bijna 6 jaar geleden dat het incident zich heeft voltrokken. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf bewust geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Als reden geeft zij: de redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek is betracht. De rechtbank constateert en stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn onwenselijk lang maar niet onredelijk lang is geweest en zal daarom aan die overschrijding geen rechtsgevolg verbinden in de vorm van strafvermindering. De rechtbank heeft zich bij die afweging onder meer laten leiden door de ernst van het feit.
Ik ben het in geen geval eens met de overweging van de rechtbank. Ik vind 6 jaar op zijn zachtst gezegd zeer onredelijk lang. ECLI:NL:HR:2008:BD2578 is heel duidelijk over de redelijke termijn. Die is twee jaren. Het kan natuurlijk zijn dat door de specialiteit van de zaak vertraging oplevert, echter is dat in dit geval niet aan de orde. Er is geen rechtvaardiging waarom dit zo lang heeft geduurd, ik verzoek u dan ook om, indien u komt tot oplegging van een straf, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.”
7. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest hieromtrent het volgende in:
“De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en heeft verzocht hiermee bij de strafoplegging rekening te houden. Met de rechtbank constateert het hof dat de berechting in eerste aanleg onwenselijk lang maar niet onredelijk lang heeft geduurd. Een deel van de vertraging in de berechting is veroorzaakt door onderzoekswensen van de verdediging. Nu er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn, zal er ook geen strafvermindering worden toegepast.”
8. Als uitgangspunt dient de berechting van een verdachte in eerste aanleg binnen twee jaren te zijn afgerond met een eindvonnis, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daaronder kunnen vallen de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak is behandeld door de bevoegde autoriteiten. [1] In cassatie kan slechts worden getoetst of het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn aangezien een dergelijk oordeel verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [2]
9. In onderhavig geval heeft het hof vastgesteld dat de behandeling in eerste aanleg het reeds genoemde uitgangspunt voor de redelijkheid van de daarop te beoordelen termijn (van twee jaren) met meer dan twee jaren heeft overschreden. Het hof heeft hieromtrent overwogen dat die overschrijding onwenselijk, maar niet onredelijk is aangezien die mede te wijten is aan de (omvang van de) onderzoekswensen van de verdediging in eerste aanleg. De vraag is echter of deze omstandigheid de onderhavige overschrijding rechtvaardigt. Ik meen van niet. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank heeft de verdediging slechts verzocht vier getuigen te horen, welk verzoek de rechtbank ten aanzien van twee getuigen heeft toegewezen, en verzocht de audioverhoren van de verdachte te mogen uitluisteren. [3] Zoals ik zojuist besprak heeft de Hoge Raad (inderdaad) bepaald dat de procesvoering van de verdediging een overschrijding van het uitgangspunt voor de redelijke termijn kan rechtvaardigen, maar gezien de beperkte omvang van de genoemde onderzoekswensen en de substantiële overschrijding van dit uitgangspunt voor de redelijke termijn is daarvan in onderhavig geval geen sprake. ‘s Hofs oordeel dat aan die overschrijding geen rechtsgevolg zal worden verbonden is zonder nadere motivering, en die mist, dan ook niet zonder meer begrijpelijk. [4]
10. Het middel slaagt en moet leiden tot strafvermindering.
11. Ambtshalve heb ik voor het overige geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), r.o. 3.14.
2.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), r.o. 3.7.
3.Zie het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank d.d. 17 september 2013, p. 2. Die verzoeken zijn, gezien de processen-verbaal van de rechtbank, overigens ook binnen een niet uitzonderlijk lange periode afgerond.
4.Zie ter vergelijking: HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1394 (Klimop-zaak), waarbij het hof onder meer het volgende overwoog: