Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
afhankelijk(onderstreping hof) is van het aantal te verspreiden dagbladen en folders en dat zij daarnaast recht heeft op een vaste onkostenvergoeding van € 48,96 per vier weken.
als uitlegoordeeleen nogal geforceerde indruk maakt. [8] Waar het op aankomt, is of het hof de gebeurtenissen tussen partijen en de bij het geval betrokken belangen op begrijpelijke wijze heeft gewaardeerd en aldus aan de tussen partijen bestaande rechtsverhouding een toelaatbare invulling heeft gegeven. Daarbij behoort bovendien aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt, de nodige speelruimte te worden gegund.
geen grond voor een oordeel dat een opdrachtgever zonder meer de betaling moet voortzetten wanneer hij geen werk kan leveren. De overeenkomst zelf geeft daar geen grond voor, en evenmin bestaat er een wettelijke regel terzake, noch is er sprake van vaste jurisprudentie waarop dat oordeel gestoeld kan worden. TMG Distributie heeft haar distributeurs nauwgezet op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen rond de – op economische gronden noodzakelijke – landelijke samenwerking met een ander distributiebedrijf. Waar mogelijk heeft zij getracht die depothouders die in gebieden actief waren waarin Wegener de distributie zou overnemen, een contract met Wegener te bezorgen. Van “zomaar” opzeggen was geen sprake. [eiseres] was, ofwel als depothouder, ofwel als waarnemer van de depothouder, volledig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen, en is door de opzegging dan ook niet verrast of overvallen. Er is dan ook geen aanleiding om TMG Distributie als partij aan wie de beëindiging “te wijten” zou zijn, over een disproportioneel lange periode vergoeding te laten betalen.
Als al enig bedrag verschuldigd zou zijn – quod non– dient de hoogte van het toegekende bedrag te worden gematigd. Primair tot nihil, maar in ieder geval tot een in redelijkheid door het gerechtshof te bepalen bedrag.’
verschuldigdheid van een vergoeding bij het niet verrichten van werkzaamheden op basis van een overeenkomst van opdracht.
verplichting tot betaling na te komen. (...)’
[eiseres]een verwijt trof. Zoals uit de onder 2.8 geciteerde passage uit de memorie van grieven volgt, heeft TMG onder meer aangevoerd dat de samenwerking met Wegener Groep op economische gronden noodzakelijk was en dat zij getracht heeft depothouders die in gebieden actief waren waarin Wegener Groep de distributie zou overnemen, een contract met Wegener Groep te bezorgen. Daarin ligt naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof besloten dat TMG bestreed dat het niet meer kunnen aanbieden van werk aan haar kon worden toegerekend.
Onder 31 en 32betoogt het onderdeel dat het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk is, nu het hof heeft geoordeeld dat vaststaat dat [eiseres] ingevolge artikel 3 lid 1 van Pro de agentenovereenkomst voor het beheer van het agentschap recht heeft op een beloning die bestaat uit een variabel en een vast gedeelte (feitenvaststelling van het hof onder 6.1.2), zodat de vordering van [eiseres] wel degelijk een directe contractuele grondslag heeft. De overeenkomst is niet opgezegd en bestaat nog steeds, aldus het onderdeel.
onder 33van de cassatiedagvaarding aanhaalt. [17] Op de stelling van [eiseres] dat het algemene leerstuk van nakoming van een wederkerige overeenkomst met zich brengt dat TMG lopende de overeenkomst van opdracht niet zomaar haar loonbetalingsverplichting kan neerleggen, heeft het hof gerespondeerd met zijn overwegingen over de wijze waarop de overeenkomst in de situatie van na juni 2011 moet worden uitgelegd. Die overwegingen zijn onjuist noch onbegrijpelijk. De stelling van [eiseres] dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het stopzetten van de werkzaamheden door TMG is niet essentieel, zodat het hof hier niet afzonderlijk op in hoefde te gaan. Dat geldt ook voor de stelling dat [eiseres] zich bereid heeft verklaard de werkzaamheden te blijven verrichten.
a fortioriindien het niet meer aanbieden van werkzaamheden behoort tot de risicosfeer van TMG. Het onderdeel betoogt dat het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, voorbij had mogen gaan aan de stelling van [eiseres] [18] dat het algemene leerstuk van nakoming van een wederkerige overeenkomst met zich brengt dat TMG niet zomaar haar loonbetalingsverplichting kan neerleggen.
onder 35van de cassatiedagvaarding aanduidt. Ik loop die stellingen kort langs.