Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 7 oktober 2015 veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf voor diefstallen en pogingen daartoe. Daarnaast zijn beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen en vorderingen van benadeelden.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden na aanzegging op 21 april 2017 schriftelijk middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad.
Op grond van artikel 437, tweede lid, Sv kan de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De procureur-generaal concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De zaak kent samenhang met een andere zaak (15/05057), maar dit doet niet af aan de niet-ontvankelijkverklaring. Het arrest bevestigt de strikte toepassing van termijnen in cassatieprocedures.