Conclusie
( [1] )In beide procedures spelen een belangrijke rol drie tussen deze procespartijen gesloten overeenkomsten, die betrekking hebben op, kort gezegd, (a) de aanvoer door verweerster in cassatie (hierna: Stedin) van elektriciteit ten behoeve van eiseres tot cassatie (hierna: Chemours), (b) de vaststelling van de eigendom van twee transformatoren, die deel uitmaken van een net van kabels waarover de elektriciteit wordt getransporteerd maar die tevens staan op aan Chemours in eigendom toebehorende grond, en (c) de verhuur door Stedin aan Chemours van die transformatoren met inbegrip van het onderhouden van de transformatoren. Laatstgenoemde betwist de geldigheid van de drie overeenkomsten. Zij vordert in de procedure, waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, een verklaring voor recht dat de drie overeenkomsten in strijd met de wet zijn. Het geschil in de zaak 16/03556 betrekking heeft, spitst zich meer toe op vraag of Chemours jegens Stedin gehouden is tot nakoming van de in de verhuurovereenkomst opgenomen verplichting om aan Stedin een recht van opstal met betrekking tot de transformatoren te verstrekken. Nu de twee procedures tussen de zelfde procesparttijen zijn gevoerd, iedere partij in beide procedures stellingen van gelijke inhoud en strekking heeft betrokken, in de in beide procedures uitgesproken en bestreden arresten oordelen van gelijke inhoud en strekking voorkomen, die in cassatie ten dele met gelijke klachten worden bestreden, en die procedures ook overigens nauw met elkaar zijn verweven, bestaat er aanleiding en is er, naar het voorkomt, rechtens ook ruimte om bij de beoordeling van het in de onderhavige zaak ingestelde cassatieberoep mede rekening te houden met wat er in de procedure van de andere zaak naar voren is gebracht en is beslist.
1.Feiten en procesverloop
- i) De twee transformatoren zijn in 1970 op aan Chemours toebehorende grond geplaatst door de Gemeente Dordrecht, die toen nog voor de distributie van de elektriciteit zorg droeg. Dit gebeurde krachtens een leveringscontract, waarin onder meer was bepaald dat de transformatoren eigendom van de Gemeente bleven en dat zij door de Gemeente zouden worden onderhouden. De distributie van elektriciteit door de Gemeente Dordrecht is overgenomen door N.V. Regionaal Energiebedrijf Dordrecht (RED), welke vennootschap later in het kader van een fusie is opgegaan in N.V. ENECO (hierna: ENECO).
- ii) In 1999 is de Elektriciteitswet-1998 (hierna: EW) in werking getreden. Die – sedertdien weer meer malen aangepaste – wet voorzag, mede ter uitvoering van Europese regelgeving, in een splitsing tussen enerzijds productie en handel en anderzijds distributie van elektriciteit. Die splitsing bracht mee dat elektriciteitsproducenten/-verkopers zoals ENECO hun distributienetten in (economische) eigendom dienden over te dragen aan zelfstandige naamloze of besloten vennootschappen (art. 10, lid 9, en 10a, lid 1, EW). Deze vennootschappen kregen als taak het uitoefenen van het beheer van de elektriciteitsnetten, een en ander met inachtneming van de regelingen in en krachtens de EW. ENECO heeft het beheer van haar net overgedragen aan Stedin. Dat beheer houdt in, kort weergegeven, het transporteren van elektriciteit over het net, het regelen van aansluitingen op het net en het betrouwbaar en veilig laten functioneren van het net (artikel 16 EW Pro). Voor dat beheer geldt een tarievenstelsel dat in de EW en daarop gebaseerde regelingen zoals de TarievenCode Elektriciteit (hierna:TC) is vastgelegd.
- iii) Een geschil met een netbeheerder over de uitoefening door deze van zijn taken en bevoegdheden onder de EW kon aanvankelijk worden voorgelegd aan het bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA). De geschillenbeslechting is bij de per 1 april 2013 in werking getreden Wet van 28 februari 2013, Stb 2013, 102 toevertrouwd aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (art. 51 EW Pro). Vanaf 1 april 2013 beslist de ACM ook over een verzoek van een eigenaar van een gesloten distributiesysteem om ontheffing van het gebod in art. 10, lid 9, EW om het beheer over het systeem aan een naamloze of besloten vennootschap over te dragen (art. 15, lid 1, EW). Van besluiten van de ACM kan in beroep worden gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).
- iv) Naar het bedrijventerrein aan de Baanhoekweg wordt over een door Stedin beheerd openbaar net elektriciteit met een spanning van 50 Kv aangevoerd vanuit het station Merwedehaven. Gezien vanuit dat station is even vóór de transformatoren – ook de ‘primaire zijde’ van de transformatoren genoemd – een beveiliging aangebracht. In de transformatoren wordt de spanning teruggebracht tot 12.5 Kv. De elektriciteit met verlaagde spanning wordt vanuit de transformatoren – ook de ‘secundaire zijde’ van de transformatoren genoemd – over twee railsystemen van ca. 15 meter vervoerd naar een ‘Power Purchase Station’ (PPS), van waaruit via kabels en leidingen elektriciteit over het bedrijventerrein aan de Baanhoekweg wordt getransporteerd naar Chemours en een ander productiebedrijf (Perstorp Speciality Chemicals B.V).
- v) In 1997 is op initiatief van Chemours de commanditaire vennootschap Desco
- vi) Op 6 september 2001 heeft een rechtsvoorgangster van Stedin in verband met de in werking getreden EW met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 een overeenkomst met betrekking tot de aansluiting en het transport van elektriciteit ten behoeve van Chemours afgesloten (de ‘Aansluitovereenkomst 2001’; productie 35 bij de incidentele memorie houdende een verzoek tot aanhouden procedure tevens memorie van grieven). Desco droeg zorg voor de uitvoering van de overeenkomst. In deze overeenkomst was ook bepaald dat de transformatoren eigendom van ENECO waren en dat voor de huur en het onderhoud van de transformatoren een afzonderlijke huurovereenkomst zou worden afgesloten. Daarvan kwam het echter niet.
- vii) In de loop van 2009 is met betrekking tot de transformatoren een geschil ontstaan tussen enerzijds Chemours en Desco en anderzijds Stedin. Eerstgenoemden stelden zich toen op het standpunt dat de transformatoren als gevolg van natrekking aan Chemours toebehoren (zie in dit verband productie 15 bij de memorie van grieven) en dat er geen huur voor de transformatoren verschuldigd was. In verband met dit geschil spande Stedin in mei 2010 bij de rechtbank Rotterdam een procedure tegen Chemours en Desco aan. Daarop zijn partijen ter oplossing van de tussen hen bestaande geschilpunten met elkaar in overleg getreden. Dat overleg heeft uiteindelijk geresulteerd in het sluiten van de drie hierboven in 1.1, sub (ii) en (iii) genoemde overeenkomsten. Omdat het in de bedoeling lag Desco te liquideren is Chemours op haar verzoek zelf als contractspartij bij de drie overeenkomsten opgetreden. Van het liquideren van Desco is later afgezien. Met betrekking tot de Aansluit/Transportovereenkomst en de Verhuurovereenkomst is een terugwerkende kracht tot het jaar 2000 overeengekomen. In artikel 1, sub 1.1, van de Vaststellingsovereenkomst is bepaald:
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
( [4] )betrekking heeft. In het arrest gaat het om een beslissing in de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel 51 EW Pro, die nog door de NMA is genomen en die was gericht tot dezelfde private partijen
( [5] )als optraden in de procedure waarin de Hoge Raad zijn arrest heeft uitgesproken. De NMA had beslist dat Delta aan Windpark een onjuiste offerte had uitgebracht voor het ten behoeve van Windpark realiseren van een aansluiting op het net van Delta. Daardoor heeft Windpark veel meer kosten gemaakt voor de aansluiting dan bij een correcte offerte het geval zou zijn geweest. Voor die hogere kosten vordert Windpark een schadevergoeding van Delta wegens onrechtmatig handelen. In de rov. 3.5.2 en 3.6 overweegt de Hoge Raad:
( [6] )
( [7] )en, zo ja, aan wie dat net toehoort. Achter deze vragen schuilt niet slechts het belang van te bepalen aan wie de transformatoren in eigendom toebehoren, maar ook en vooral het belang van vast te stellen of Chemours wel aan Stedin de vergoedingen verschuldigd is die zij in de Aanvoer/Transportovereenkomst en de Verhuurovereenkomst heeft toegezegd aan Stedin te zullen betalen. Op de in de rov. 5 en 6 vermelde gronden concludeert het hof dat de transformatoren geen bestanddeel van een net van kabels en leidingen zijn. Daartegen wordt in onderdeel 2 opgekomen.
( [8] )geeft geen aanleiding anders te oordelen. De EW is van regulatoire aard in die zin dat met die wet wordt beoogd te voorzien in een regeling van de productie, het transport en de levering van elektriciteit. Met dat oogmerk van de wet houdt de ruime omschrijving van het begrip ‘net’ in artikel 1 lid 1 sub i Ew Pro verband. De EW heeft niet de strekking eigendomsverhoudingen te beïnvloeden.
( [9] ), blijkt uit de parlementaire geschiedenis van die wet dat de wetsontwerper bedoeld heeft, dat voor de bepaling van de omvang van een voor het transport van elektriciteit bestemd net van kabels en leidingen als bedoeld in lid 2 van artikel 5:20 BW Pro artikel 1 lid 1 sub i BW Pro in aanmerking wordt genomen, en ook dat het bij de omvang van het net niet slechts gaat om het begin- en eindpunt van een net, maar ook om met de kabels en leidingen verbonden hulpmiddelen. Aan deze bevindingen zijn de volgende conclusies te verbinden:
uitgangspuntmoeten worden aangehouden dat hulpmiddelen als transformatoren een bestanddeel van dat net zijn en daarmee, zolang die status van bestanddeel niet op juridisch correcte wijze is opgeheven, vallen binnen de eigendom van het net. Omdat de wetgever bij het tot stand brengen van artikel 5:20 lid 2 BW Pro voor de bepaling van de omvang van een voor het transport van elektriciteit bestemd net van kabels en leidingen nadrukkelijk op artikel 1 lid 1 sub i EW Pro heeft gewezen, kunnen in het regulatoire karakter van de EW en in het feit dat met die wet niet beoogd is de beantwoording van eigendomsvragen te beïnvloeden niet voldoende tegenargumenten worden gezien.
( [10] )Dit aspect betrekt het hof niet in zijn beoordeling. Niet gezegd kan worden dat het feit dat de transformatoren zonder beschadiging van betekenis kunnen worden verwijderd en het feit dat zij verhuurd werden, het buiten beschouwing laten van de rol van de transformatoren in een net zonder meer rechtvaardigen. In zoverre kan, zoals ook in subonderdeel 2.2 wordt betoogd, het oordeel van het hof dat de transformatoren geen bestanddeel zijn, als onvoldoende gemotiveerd worden beschouwd.
“Ingevolge de Vaststellingsovereenkomst staat tussen hen –[Chemours, Desco en Stedin]
– vast dat Stedin (dan wel een andere tot het Eneco-concern behorende rechtspersoon) eigenaar is van de litigieuze transformatoren met toebehoren en dat deze met terugwerkende kracht vanaf januari 2001 –[lees: 2000] –
door Chemours zijn gehuurd.”
( [11] )Het geschil dat voorafgaande aan het sluiten van de Vaststellingsovereenkomst bestond, hield onder meer in dat Chemours de eigendom van de transformatoren claimde omdat zij op haar in eigendom toebehorende grond staan, terwijl Stedin zich beriep op een met betrekking tot de transformatoren gemaakt eigendomsvoorbehoud. Met het aan Stedin verstrekken van een opstalrecht met betrekking tot de transformatoren zou rechtens kunnen worden verzekerd dat de eigendom van de transformatoren ook werkelijk aan Stedin zou toevallen en dat zij die eigendom op de grond van Chemours zou kunnen blijven aanhouden. In de procedure van de zaak 16/03556 beslist het hof ook dat Stedin recht en belang heeft bij het bedongen – en na het vonnis van de rechtbank ook gevestigde – opstalrecht. In het licht van een en ander komt het niet aannemelijk voor dat het hof in rov. 4 van oordeel is dat reeds met de Vaststellingsovereenkomst zelf verzekerd was dat Stedin rechtens voor de eigenaar van de transformatoren kan worden gehouden. Daartoe was, voor zoveel nodig, nog de vestiging van het opstalrecht nodig.
( [12] )