Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht [eiser] klachten tegen de rechtsoverwegingen 3.3.8 en 3.3.9 van het arrest van het hof. Aldaar heeft het hof als volgt overwogen:
.Volgens het onderdeel heeft het hof geen afweging gemaakt van de wederzijdse causaliteit (in de woorden van art. 6:101 BW Pro: ‘de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen’).
Onder 1.2klaagt het onderdeel dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het de vraag naar de wederzijdse causaliteit heeft beantwoord.
tweede onderdeelbetreft de door [eiser] in januari 2008 aan de Gemeente aangeboden bankgarantie en richt zich in dat verband tegen rechtsoverweging 3.3.5 van het hof:
onvoorwaardelijkebankgarantie was. De Gemeente heeft hierover niet gerept en als het hof dit in de stellingen van de Gemeente heeft gelezen, is dat onbegrijpelijk, aldus het onderdeel. Daarbij verwijst het onderdeel naar de pleitnota van de advocaat van [eiser] in hoger beroep en naar de stukken van het geding in eerste aanleg en naar de stukken van een voorafgaand kort geding.
onvoorwaardelijkebankgarantie betrof, vernietiging van ’s hofs arrest voor [eiser] niets kan opleveren, omdat na verwijzing het standpunt van [eiser] noodzakelijk opnieuw zou moeten worden gepasseerd, nu op grond van de in beginsel strakke regel dat grieven niet later dan bij memorie van grieven kunnen worden opgeworpen.
aangeboden. Een onvoorwaardelijke bankgarantie kan zeer wel voorwaardelijk worden aangeboden.
derde onderdeelbevat als gezegd enkel een voortbouwklacht en mist daardoor zelfstandige betekenis.