Conclusie
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens mensenhandel, waarbij tevens een schadevergoeding aan de benadeelde partij is toegewezen. Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest, met als middel onder meer de berekening van de materiële schade.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht is uitgegaan van een schadebedrag gebaseerd op een tarief van € 300 per klant, aangezien dit bedrag niet door de verdediging is betwist en redelijk is geacht. De verwijzing van het hof naar eigen wetenschap over tarieven is slechts een toelichting en speelt geen doorslaggevende rol.
Daarnaast vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het hof heeft nagelaten verdachte te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de benadeelde partij. De Hoge Raad benadrukt dat de rechter ex art. 592a Sv verplicht is te beslissen over deze kosten en dat een kostenveroordeling ook zonder expliciete vordering moet worden uitgesproken. De zaak wordt terugverwezen voor vaststelling van de proceskosten.
De Hoge Raad bevestigt de toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij en wijst het cassatiemiddel van verdachte af. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van proceskostenveroordelingen in strafzaken met benadeelde partijen en benadrukt het belang van transparantie over gebruikte feiten en tarieven.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het nalaten van een proceskostenveroordeling ten gunste van de benadeelde partij, terwijl de schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt bevestigd.