13. Er is sprake van een criminele organisatie die gebruik maakt van een bepaalde structuur en hiërarchie, met aan het hoofd eigenaar [medeverdachte 7], die volgens [betrokkene 2] de baas was en alles besliste (feit 1, bewijsmiddel 4). [medeverdachte 7] heeft de leiding en voert de onderhandelingen over de handel (inkoop en verkoop) in grote hoeveelheden softdrugs, zo blijkt onder meer uit diverse telefoongesprekken die hij onder andere met [betrokkene 2] voerde (feit 1, bewijsmiddelen 4, 5, 6, 9, 13, 15, 16, 17, 20, 23, 24, 37, 39). Bij zijn afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende zijn vakantie in Marokko, viel verzoeker als beheerder voor hem in. De taak van verzoeker bestond, naar hij zelf heeft verklaard, uit het bijvullen van de voorraad en het beheren van het geld (Aanvulling op het arrest, blad 1, ongenummerd bewijsmiddel ten aanzien van feit 1). Wat de softdrugs en het bijvullen betreft, tijdens de doorzoeking in zijn woning op 27 november 2012 zijn onder meer verdovende middelen en een geldbedrag aangetroffen (feit 1, bewijsmiddel 1). Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 (bewijsmiddelen 44 en 45) blijkt dat het daarbij ging om ongeveer 2,8 kilo hennep en 8,9 kilo hasjiesj. Een deel van de softdrugs werd in de coffeeshop ‘regulier’, dat wil zeggen onder het geldende gedoogbeleid, aan de man gebracht. Maar aanzienlijke partijen softdrugs werden buiten de coffeeshop om verkocht. Ook bij dergelijke transacties werd verzoeker betrokken (bewijsmiddel 6). In de bewijsconstructie staan leveringen van diverse kilo’s centraal. Uit bewijsmiddel 19 kan worden afgeleid dat neef [betrokkene 1] een specifieke opdracht uitvoerde. Dit betrof een concrete levering van 5 kg “mis”, een handeling die evident buiten het geldende gedoogbeleid viel (en valt). Dat doet de neef in opdracht “van zijn ooms”. Daaronder kan met name verzoeker worden begrepen, mede gezien de bewijsmiddelen 2 en 3 (feit 1). Zo heeft [betrokkene 12] bij de politie verklaard dat hij een jaar of vijf regelmatig (“niet elke week”) de ene keer 2 kilo, de andere keer 5 kilo leverde, waarbij verzoeker de contactpersoon was: verzoeker “kreeg het voor 4900 per kilo”. En verzoeker heeft hierover verklaard dat hij en “die vriend [betrokkene 12]” de inkoop van de hasjiesj en de wiet voor de coffeeshop regelden. Partijen van tenminste enkele kilo’s (vaak 5 kg) werden verkocht aan [medeverdachte 6], “De Griek” en “[betrokkene 14]” (zie naast de reeds aangehaalde bewijsmiddelen meer in het bijzonder feit 1, bewijsmiddelen 10 [betreffende een stelselmatige observatie op 2 oktober 2012], 11, 15, 16, 17, 23 t/m 35). Voorts is op 27 november 2012 in de woning van verzoeker een abnormaal grote hoeveelheid contant geld in beslag genomen, te weten in totaal € 414.918,89, waarbij vooral de 217 coupures van € 500,- en 23 coupures van € 200,- opvallen (feit 4, bewijsmiddel 51). De gemiddelde bezoeker van een coffeeshop pleegt niet te betalen met biljetten van 200 en 500 euro, in het criminele milieu is dit daarentegen geen ongewoon verschijnsel. Volgens de verklaring van verzoeker bewaarde hij dit geld voor zijn broer [medeverdachte 7] , eerst in de kluis in de shop en vervolgens bij hem, verzoeker, thuis (Aanvulling op het arrest, blad 1, ongenummerd bewijsmiddel ten aanzien van feit 4). Daaruit kan worden afgeleid dat, naar verzoeker wist, dit geld in relatie stond tot zowel de coffeeshop alsook tot [medeverdachte 7] .