Conclusie
CTAC N.V.,
1.mr. Jasper Paulus Maria BORSBOOM,
VAN ROOTSELAAR,
Beëindiging overeenkomst
2.Procesverloop
(going concern)van de onderneming. Eveneens staat vast de door de voorzieningenrechter in aanmerking genomen omstandigheid dat er voor Curatoren geen reële mogelijkheid was zich tot een andere (soortgelijke) dienstverlener te wenden, die de door Ctac geleverde diensten op zeer korte termijn zou kunnen overnemen. Ctac was derhalve een zogenoemde dwangcrediteur. Ctac had op de dag van het faillissement alle met Free Record Shop Holding gesloten overeenkomsten beëindigd; op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden ging het om een beëindiging met onmiddellijke ingang, waarbij het recht tot gebruik van aan Free Record Shop ter beschikking gestelde producten van rechtswege verviel. Curatoren hebben gepoogd Ctac te bewegen tot tijdelijke voortzetting van de dienstverlening, maar Ctac was hiertoe alleen bereid als Curatoren de gehele pre-faillissementsvordering van Ctac voldeden.
going concern(vermoedelijk) een hogere opbrengst zou genereren. Zij achtten het daarentegen niet in het belang van de boedel de overeenkomst na te komen in de zin van artikel 37 Fw Pro, waarmee zij immers de pre-faillissementsvordering als boedelschuld hadden moeten voldoen. Curatoren hebben om die reden geprobeerd afspraken te maken met Ctac. De door Curatoren gewenste afspraken kwamen erop neer dat Ctac de pre-faillissementsvordering ter verificatie zou indienen, dat Curatoren zouden instaan voor de verplichtingen die gedurende de voortzetting van de dienstverlening voor de boedel uit de overeenkomsten zouden voortvloeien, en dat Curatoren (overigens) slechts aan de overeenkomsten zouden zijn gebonden zolang zij belang hadden bij de door Ctac te verrichten prestaties. Met andere woorden: Curatoren wilden niet de kosten die zouden (kunnen) voortvloeien uit een nakoming van de overeenkomsten op de voet van artikel 37 Fw Pro voor rekening van de boedel laten komen, maar zij wilden evenmin kiezen voor niet-nakoming; zij wilden slechts de kosten betalen in verband met een tijdelijke voortzetting van de dienstverlening in het belang van de boedel, en zo lang als de boedel bij die voortzetting belang zou hebben. Curatoren hadden hierop geen wettelijke aanspraak, maar dat neemt niet weg dat zij zich uiteraard op het standpunt kunnen stellen dat zij hierop in de omstandigheden van het geval aanspraak hebben, en dat standpunt aan de rechter voor te leggen. Dat is wat Curatoren hebben gedaan toen Ctac niet akkoord wilde gaan met de door Curatoren voorgestelde aanpak. De insteek van het kort geding van de zijde van Curatoren was dezelfde als die van het overleg. Curatoren vorderden dat Ctac geboden zou worden de dienstverlening (tijdelijk) voort te zetten, tegen betaling door Curatoren van de toekomstige verplichtingen. De voorzieningenrechter had aldus te beoordelen of Ctac in casu het recht had de (voortzetting van de) dienstverlening aan Curatoren te weigeren totdat haar pre- faillissementsvordering was voldaan. De voorzieningenrechter heeft in dat kader een belangenafweging gemaakt en kwam tot het oordeel dat het belang van Curatoren bij voorzetting van de dienstverlening voor een relatief korte periode zodanig zwaarwegend was, dat stopzetting daarvan door Ctac onaanvaardbaar moet worden geacht.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
dienstverleningvoort te zetten onder voorwaarde dat ook de openstaande (pre-faillissements)vorderingen betaald zouden worden (rov. 2.6). Ook staat vast dat Curatoren niet met een voorzetting van de dienstverlening onder die voorwaarde hebben ingestemd (rov. 2.8). Juist omdat zij niet met deze door CTAC gestelde voorwaarde akkoord gingen, hebben zij in kort geding gevorderd dat CTAC de dienstverlening (subsidiair) voor de duur van de afkoelingsperiode zou voortzetten, zonder dat de pre-faillissementsvorderingen boedelschulden zouden worden. [7] Zij hebben met dit kort geding getracht te bereiken, wat zij ook door aanvaarding van de door CTAC gestelde voorwaarden hadden kunnen bereiken – namelijk: voortzetting van de dienstverlening –, maar met dit verschil: dat zij zich niet hebben verbonden tot het als boedelschuld hoeven te voldoen van de pre-faillissementsschulden. Met andere woorden: als Curatoren de overeenkomsten gestand hadden willen doen, was het zinloos geweest daarover een kort geding te voeren. Het feit dat Curatoren in kort geding hebben gevorderd CTAC te gebieden de dienstverlening voort te zetten, kan m.i. dan ook niet anders worden uitgelegd dan dat Curatoren
niethebben willen instaan voor de betaling van de pre-faillissementsvorderingen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat de rechtbank het in kort geding afdwingen van de voortzetting van de dienstverlening niet als gestanddoening heeft willen aanmerken.
Onderdeel 1richt zich met drie subonderdelen tegen rov. 4.5. Daarin overweegt de rechtbank dat CTAC de overeenkomsten met FRSH op de dag van het faillissement met onmiddellijke ingang had beëindigd. Ik maak een paar opmerkingen over hoe het oordeel van de rechtbank m.i. gelezen moet worden.
ten overvloedehebben onderzocht. Zou zij dit niet ten overvloede hebben beoordeeld, dan zou de rechtbank hebben miskend dat art. 37 Fw Pro slechts aan bod kan komen indien er sprake is van overeenkomsten die niet zijn beëindigd (zie hun verderop nog te bespreken voorwaardelijke incidentele onderdeel 1).
kenbarerol in de gedachtegang van de rechtbank die uitmondt in de conclusie dat art. 37 Fw Pro “niet van toepassing is” (rov. 4.8, slotzin).
dienstverleningdie voorheen onder werking van de overeenkomsten aan FRSH plaatsvond. Dit oordeel is niet onverenigbaar met rov. 4.8, waar de rechtbank overweegt dat de vraag voorligt of sprake is van nakoming van de overeenkomst op de voet van art. 37 Fw Pro; die vraag heeft CTAC immers opgeworpen en de rechtbank ziet die vervolgens onder ogen. Dat dit onderzoek van de rechtbank, gelet op het geëindigd zijn van de overeenkomsten, strikt genomen ten overvloede plaatsvindt, maakt dit nog niet onbegrijpelijk. De rechtbank heeft zich de moeite getroost om het betoog dat in de stukken van CTAC de meeste aandacht heeft gekregen – dat Curatoren de overeenkomsten gestand zouden hebben gedaan – ten gronde te bespreken, in plaats van te volstaan met de constatering dat geen sprake meer is van ‘lopende’ overeenkomsten die zich nog voor nakoming lenen.
beëindigd.
Veluwse Nutsbedrijven [12] en
Van der Hel q.q./Edon [13] worden toegepast. De subonderdelen 2.1-2.8 bevatten een verdere uitwerking en toelichting van deze kernklacht.
nakomingvan de overeenkomsten hebben afgedwongen. [14] De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat (i) CTAC de overeenkomsten op de dag van faillissement onder verwijzing naar de beëindigingsclausule uit de algemene voorwaarden heeft opgezegd; (ii) dat het Curatoren vervolgens te doen was om de
tijdelijke voortzetting van de dienstverlening(rov. 2.6, 4.5), en (iii) dat deze (tijdelijke) voortzetting van de dienstverlening ook de insteek was van het kort geding (rov. 4.7). De voorzieningenrechter heeft de vordering van Curatoren niet toegewezen op de grondslag van nakoming, maar in het kader van een belangenafweging, omdat stopzetting van de dienstverlening door CTAC gedurende de afkoelingsperiode onaanvaardbaar werd geoordeeld (rov. 4.7, slot). Curatoren hebben, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, dan ook geen nakoming gevorderd.
geenboedelschulden te laten ontstaan die bij een minnelijke nakoming/gestanddoening op de voet van art. 37 Fw Pro wel waren ontstaan, met voornoemde gestanddoening op één lijn moet worden gesteld.
Subonderdeel 3.1richt zich tegen een passage uit rov. 4.8 waar de rechtbank – alvorens haar conclusie te bereiken dat Curatoren niet geacht kunnen worden de overeenkomst gestand te hebben gedaan in de zin van art. 37 Fw Pro – onder meer vaststelt dat de voorzieningenrechter CTAC had verplicht om tijdelijk (tijdens de afkoelingsperiode) te blijven presteren en dit is gebeurd onder voorwaarden die waarborgen dat rekening wordt gehouden met haar gerechtvaardigde belangen. Het subonderdeel veronderstelt dat voor de rechtbank dragend is dat de voorzieningenrechter voorwaarden aan zijn verbod en bevel heeft verbonden die waarborgen dat rekening wordt gehouden met de gerechtvaardigde belangen van CTAC. De klacht bestrijdt dit als onjuist of onbegrijpelijk. De klacht faalt, allereerst wegens een gemis aan feitelijke grondslag. De aard en het karakter van de voorwaarden waren immers voor het oordeel van de rechtbank niet dragend. Bepalend was voor de rechtbank het gegeven dát CTAC
door de voorzieningenrechter gedwongenhaar dienstverlening had voortgezet. Voorts faalt de klacht omdat de interpretatie die de rechtbank geeft aan het oordeel van de voorzieningenrechter een aan de feitenrechter voorbehouden lezing betreft, die bovendien – gelet op het uitgebreide citaat in rov. 2.9 – niet onbegrijpelijk is.
op zichzelfnog geen gevolgen gehad voor de beantwoording van de vraag of Curatoren jegens CTAC hebben verklaard de overeenkomsten gestand te zullen doen. Tegen de ontkennende beantwoording door de rechtbank van die vraag kwam onderdeel 2, zoals hiervoor bleek, al tevergeefs op.
4.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
onderdeel 1slagen. Curatoren hebben immers gemotiveerd gesteld dat zij de overeenkomsten voor geëindigd mochten houden en meenden met CTAC te onderhandelen over voortzetting van de dienstverlening op andere titel dan de met referte aan art. 10.2 van de algemene voorwaarden opgezegde overeenkomsten. De rechtbank heeft dan ofwel miskend dat geëindigde overeenkomsten niet kunnen worden nagekomen of haar oordeel ontoereikend gemotiveerd.