Conclusie
Vrijspraak van het onder 2 en 4 tenlastegelegde
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden sprak de verdachte en de rechtspersoon vrij van het ten laste gelegde verwijt dat zij verboden handelingen met betrekking tot asbestverwijdering hadden verricht zonder de vereiste asbestinventarisatierapporten. Het hof oordeelde dat de verboden gedragingen niet aan de rechtspersoon konden worden toegerekend en dat de verdachte als feitelijk leidinggevende niet strafbaar was.
Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak, stellende dat de rechtspersoon en haar directeur wel degelijk wisten of hadden moeten weten van de aanwezigheid van asbest en de verwijdering daarvan. De Hoge Raad overwoog dat de waardering van het bewijs en de vaststelling van de feiten aan het hof zijn voorbehouden en dat het cassatieberoep faalt omdat het middel zich richt op feitelijke waarderingen die niet onbegrijpelijk zijn.
De Hoge Raad bevestigde daarmee dat de rechtspersoon niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de verboden gedragingen, omdat zij niet bewust was van het verwijderen van asbesthoudend materiaal. Ook de verdachte werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van feitelijk leidinggeven. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vrijspraak wegens ontbreken van toerekening van verboden asbestverwijderingshandelingen aan de rechtspersoon en verdachte.