De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de veroordeling van verdachte bevestigde wegens voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïnehandel. Verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk verstrekken en vervoeren van 400 gram cocaïne, onder meer door het maken van een telefonische afspraak en het voorhanden hebben van de drugs.
De verdediging stelde dat het enkel maken van een telefonische afspraak onvoldoende is als strafbare voorbereidingshandeling, omdat een afspraak geen voorwerp is dat men kan voorhanden hebben. De Hoge Raad oordeelde dat deze passage niet noodzakelijk als voorbereidingshandeling moet worden opgevat, maar dat het voorhanden hebben van 400 gram cocaïne, waarvan verdachte wist dat het bestemd was voor het plegen van het delict, voldoende is voor de bewezenverklaring.
Verder werd bevestigd dat het bezit van de cocaïne, hoewel reeds een strafbaar feit op zich, ook kan gelden als voorbereidingshandeling voor verdere handel. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de straf van vier maanden gevangenisstraf. De samenloop van delicten werd als ongelukkig maar niet onwettig beoordeeld, mede gezien de relatief lage straf.