Conclusie
[verzoeker] ,
in eerste aanlegis gedaan, en dat
in hoger beroepde zaken volgens het hof anders lagen. Zoals het hof in rov. 3 heeft overwogen, heeft de bewindvoerder in hoger beroep verklaard dat [verzoeker] sinds 29 december 2014 geen afdrachten aan de boedel heeft gedaan en dat het vanwege het ontbreken van relevante informatie niet mogelijk is gebleken de juiste stand van de boedel te berekenen. Daarnaast gaat deze klacht eraan voorbij dat [verzoeker] , naar in cassatie vaststaat, de (volledige) inlichtingenformulieren over vele andere maanden (februari 2015; april 2015 t/m heden [3] ) niet heeft ingediend. Verder mist de klacht feitelijke grondslag, omdat uit bedoelde brief van de bewindvoerder helemaal niet blijkt dat deze op de hoogte was van alle relevante informatie, integendeel: de vier aan deze brief gehechte periodieke verslagen van de bewindvoerder ex art. 318 Fw Pro (van 13 januari 2014, 11 juli 2014, 9 januari 2015 en 9 juli 2015) vermelden allemaal dat [verzoeker] (in weerwil van herhaalde verzoeken) onvoldoende gegevens heeft overgelegd. Tegen deze achtergrond is de bestreden overweging van het hof goed te volgen.