Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2010/46, eveneens over aankoop van grond met daarop oude opstallen door een projectontwikkelaar met het oogmerk na sloop een bouwterrein geleverd te krijgen. In die zaak besteedde de
verkoperde sloop aan, maar werden alle sloopkosten en -aansprakelijkheden door de koper aan de verkoper vergoed. U oordeelde dat geen belastbare overgang van een belang ex art. 2(2) Wet BvR had plaatsgevonden, hoewel de koopprijs gedeeltelijk betaald was, de eigenaarslasten waren overgegaan op de koper en de koper een maandelijkse vergoeding aan de verkoper betaalde voor vervangende huisvesting, maar in die zaak werd de beoordeling of economische eigendom was overgegaan beperkt tot één tijdstip: het moment van aangaan van de koop-overeenkomst. In casu stelt de fiscus dat economische eigendom is verkregen (uiterlijk) bij aanvang van de sloop omdat de belanghebbende toen feitelijk gebruik van en macht over de grond verkreeg en het slooprisico liep. Dat legt een nieuw veld van beoordeling open.
Wiedat risico loopt, dat los staat van de waardeontwikkeling van de grond, de koper of de verkoper, lijkt mij niet relevant voor de toepassing van art. 2(2) Wet BvR.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Kamerstukken II1999/2000, 26 820, nr. 7). Om te voorkomen dat een (voorlopige) koopovereenkomst zou worden belast met overdrachtsbelasting is blijkens de toelichting een uitzondering gemaakt voor de verkrijging van uitsluitend het recht op levering.
3.Het geding in cassatie
BNB2010/46 [3] (zie hieronder, 5.1 en 5.2), waarin u in een enigszins vergelijkbaar geval overwoog dat op het moment van sluiten van de koopovereenkomst (nog) geen economische eigendom was verkregen omdat:
Woningstichting Maasdrielis de intentie van de partijen van belang bij de vraag of zich een belastbaar feit voordoet. Ook de belanghebbende verwijst naar HR
BNB2010/46. Dat de belanghebbende bepaalde kosten heeft voorgefinancierd, zodat de koopsom niet daarmee hoefde te worden verhoogd, betekent niet dat ook het risico ter zake van die kosten overging; het tegendeel blijkt uit de ontbindende voorwaarde in onderdeel 13 van de koopovereenkomst.
4.Wettelijk kader
5.Doel en strekking van art. 2(2) Wet BvR; het precedent HR BNB2010/46
recyclehier eerst delen van onderdeel 5 van de conclusie voor HR
BNB2010/46, [8] die onder meer de relevante wetsgeschiedenis omvat. Ook die zaak betrof de koop, door een projectontwikkelaar (de belanghebbende), van grond waarop ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst (15 juli 2003) nog opstallen stonden. De koopovereenkomst bepaalde dat de verkoper het verkochte als bouwterrein zou leveren,
i.e.vrij van opstallen, maar ook dat als de sloopvergunning niet af zou komen, de zaak in ongesloopte staat zou worden geleverd. Een tweede overeenkomst van dezelfde datum tussen dezelfde partijen bepaalde dat de door de verkoper aan te besteden sloop voor rekening en risico van de belanghebbende zou geschieden. De koper betaalde een deel van de koopsom vóór de levering. De verkoper mocht het verkochte (waarop onder meer een café) tot eind 2003 blijven exploiteren. De sloopvergunning werd op 4 maart 2004 verleend, de opstallen werden voor rekening van de belanghebbende gesloopt en de onroerende zaak werd op 29 april 2004 als bouwterrein aan de belanghebbende geleverd, zonder overdrachtsbelasting. De conclusie in die zaak hield onder meer het volgende in:
Verstraaten [15] concludeert dat de uitzondering van de slotzin niet geldt indien is overeengekomen dat vanaf het moment van het van kracht worden van de overeenkomst de koper het genot van het gekochte heeft. Ten aanzien van een ‘sleutelverklaring’ (feitelijke levering; het recht om de onroerende zaak voorafgaande aan de juridische levering te betreden) neemt hij een genuanceerd standpunt in: alleen indien de verklaring behelst dat de koper, vooruitlopend op feitelijke ingebruikneming, bevoegd is interne of externe verbouwingen te (laten) verrichten, heeft deze zijns inziens meer dan een recht op levering verkregen. Beers [16] betoogt dat indien een risicoclausule aan de sleutelverklaring verbonden is, daardoor sprake is van een economische eigendomsoverdracht.
nieteen derde fiscaalrechtelijke begrip “economische eigendom” - naast dezelfde begrippen in de omzetbelasting en de belastingen op inkomen - introduceerde: [18]
dieovergang van waarde-veranderingsrisico is geen belaste economische eigendomsverkrijging, nu art. 2(2), laatste volzin, Wet BvR immers juist de enkele verkrijging van een recht op levering uitsluit als belastbaar feit. Er moet méér “belang” overgaan, “hoe weinig ook”. Het risico van beschadiging en tenietgaan blijft ingevolge de artt. 7:10 en 7:17 (conformiteit) BW in beginsel voor rekening van de verkoper tot het moment van aflevering (inbezitstelling; overhandiging van de sleutels). In casu is overeengekomen dat het verkochte pas voor risico van de belanghebbende zou komen na ondertekening van de notariële akte van levering. Tot dat moment was de verkoper verplicht het verkochte tegen nieuwbouwwaarde te verzekeren (…).
BNB2010/46 ongegrond:
6.Literatuur
tweede en derde zin, WBR verkrijgt de koper van een onroerende zaak de economische eigendom, zodra de koop is gesloten. Vanaf dat ogenblik behoort immers tot het vermogen van de koper enerzijds de verplichting de koopsom te voldoen en anderzijds het recht op levering. De koopsom is in de regel een vast bedrag, maar de waarde van het recht op levering is rechtstreeks verbonden met de waarde van de gekochte onroerende zaak. Gaat bijvoorbeeld de marktwaarde omhoog, dan stijgt ook de waarde van het recht op levering en neemt het vermogen van de koper derhalve toe. Ingeval de waarde van de gekochte onroerende zaak daalt door een inzakkende markt is het omgekeerde het geval; dan wordt de koper armer. Wat de vermogenspositie van de verkoper betreft maakt verandering van de marktwaarde daarentegen niet meer uit. Tot zijn of haar vermogen behoort weliswaar nog steeds de verkochte (maar nog niet geleverde) onroerende zaak, maar daar staat tegenover de verplichting tot levering van die zaak. Stijgt de waarde van de zaak, dan stijgt de verplichting tot levering evenzeer en omgekeerd. De verkoper loopt wat dit betreft dus geen enkel risico van waardeverandering meer.
hierdoorveroorzaakte waardedaling van de onroerende zaak voor rekening van de verkoper. Dit voorbeeld toont aan dat het mogelijk is dat zowel de rechthebbende op een onroerende zaak als een ander enig risico van waardeverandering lopen.
uitsluitendhet recht op levering' niet wordt aangemerkt als verkrijging van economische eigendom. (…).
andere rechtenmet betrekking tot de gekochte onroerende zaak ontleent. Te denken valt bijvoorbeeld aan:
de kopervan een onroerende zaak buiten beeld blijft als verkrijger van economische eigendom, maar
iedereendie 'uitsluitend het recht op levering' van een onroerende zaak verkrijgt, ongeacht langs welke weg (ook degene aan wie 'uitsluitend het recht op levering' wordt overgedragen, de cessionaris, is geen overdrachtsbelasting verschuldigd) en ongeacht het soort overeenkomst of ander rechtsfeit dat tot die levering verplicht. Hierbij moet men wel bedenken dat de laatste zin van art. 2, lid 2, WBR geen effect sorteert, als degene die uitsluitend recht op levering heeft ook langs andere weg dan via het recht op levering risico van waardeverandering loopt.”
7.De overeenkomsten en verschillen met HR BNB2010/46;beoordelingvanhetmiddel
BNB2010/46 en of die verschillen naar een andere uitkomst leiden. In beide gevallen heeft een projectontwikkelaar grond gekocht met daarop (oude) opstallen. In beide gevallen willen de partijen een bouwterrein (in de zin van de Wet OB) leveren, zulks met het oog op de samenloopvrijstelling ex art. 15(1) Wet BvR. In HR
BNB2010/46 was weliswaar overeengekomen dat de sloop in opdracht van en voor rekening van de verkoper zou geschieden, maar ook dat de koper de sloopkosten zou vergoeden en dat alle aansprakelijk-heden voortvloeiend of verband houdend met de sloop voor rekening en risico van de koper kwamen. [37] In belanghebbendes zaak heeft de verkoper de sloop niet aan een derde, maar aan de koper/belanghebbende opgedragen (die op zijn beurt, naar aan te nemen valt, een derde heeft ingehuurd) zodat ook in belanghebbendes geval de sloopkosten en -risico’s voor rekening van de koper komen, zij het rechtstreeks in plaats van onrechtstreeks; volgens het Hof is daarmee rekening gehouden bij de bepaling van de koopprijs, zodat het in wezen om hetzelfde totaalbedrag gaat, in belanghebbendes geval aanstonds gesplitst in koopprijs en aanbestedingsprijs, in HR
BNB2010/46 aanvankelijk ongesplitst, waarbij pas later de sloopkosten op declaratiebasis werden afgesplitst.
BNB2010/46, geldt in belanghebbendes geval de ontbindende voorwaarde dat de benodigde vergunningen niet worden verkregen, die bij vervulling meebrengt dat de sloopkosten en -risico’s en de kosten van huurbeëindiging alsnog voor rekening van de verkoper komen. Andere verschillen zijn dat in HR
BNB2010/46 de verkoper de opstal (een café) nog mocht exploiteren tot en met 31 december 2003 en bedongen was dat het verkochte pas voor risico van de koper kwam zodra de notariële akte van levering was ondertekend en de verkoper tot dat moment verplicht was om het verkochte tegen nieuwbouwwaarde te verzekeren; dergelijke bedingen zijn in belanghebbendes geval niet gemaakt. Ook is geen vergoeding voor vervangende huisvesting voorzien en zijn niet reeds bij het sluiten van de koopovereenkomst eigenaarslasten op de belanghebbende overgegaan, maar in belanghebbendes geval komen wel de kosten van huurbeëindiging voor rekening van de koper (behoudens vervulling van de ontbindende voorwaarde). Eveneens anders dan in HR
BNB2010/46, is in casu geen gedeelte van de koopprijs vooruit betaald, hetgeen echter kennelijk ook niet nodig was, nu de belanghebbende/koper in casu immers rechtstreeks de sloper betaalde.
BNB2010/46 was het geschil beperkt tot één beoordelingsmoment: de datum van sluiten van de koopovereenkomst. In belanghebbendes geval daarentegen stelt de fiscus dat de economische eigendom is overgegaan ná het sluiten van de koopovereenkomst, ergens in de periode tot uiterlijk de aanvang van de sloop begin maart 2010. Dat legt een nieuw beoordelingsveld open ten opzichte van HR
BNB2010/46. Anders dan in HR
BNB2010/46, waarin het Hof geen slooprisico in zijn beoordeling had betrokken en dat volgens u ook niet hoefde te doen omdat dat risico op datum koopovereenkomst nog niet aan de orde was bij gebrek aan een sloopvergunning, moet dat risico in belanghebbendes geval wél beoordeeld worden, nu het geschil zich mede uitstrekt tot het moment waarop de sloop aanving, dus tot ná het moment van verkrijging van alle benodigde vergunningen (zij het dat bij aanvang van de sloop de bouwvergunning nog niet onherroepelijk was).
i.e.vervulling van de opschortende voorwaarde;
BNB2010/46 en het in die zaak genoemde arrest HR
BNB2007/274 [38] blijkt genoegzaam dat opschortende voorwaarden of tijdbepalingen vervuld moeten zijn voordat economische eigendom wordt verkregen, zodat tijdstip (i) afvalt. Nu de Staatssecretaris het geschil uitdrukkelijk temporeel beperkt tot uiterlijk het moment van aanvang van de sloop, vallen ook de tijdstippen (vi) t/m (viii) af. De fiscus laat het tijdstip van het belastbare feit voor het overige in het midden maar verwijst wel steeds naar (‘uiterlijk’) het moment van aanvang van de sloop en stelt dat de belanghebbende op dat moment het feitelijke gebruik en de macht over het verkochte verkreeg. Het Hof heeft voorts aannemelijk geoordeeld dat de ontbindende voorwaarde tot ontbinding zou hebben geleid bij niet-verkrijging van de bouwvergunning. Onder die omstandigheden blijft mijns inziens slechts één beoordelings-moment over: 25 maart 2010; het moment van aanvang van de sloop.
BNB2010/46 vermelden het volgende over de vraag op welk moment economische eigendom wordt verkregen:
BNB2010/46 geen precedent, nu in dat geval, zoals gezegd, het slooprisico niet aan de orde kwam.
BNB2010/46) laten zich bij ‘meer belang dan een recht op levering’ de volgende verschijnselen denken:
verkoperna vastlegging van de koopsom zou hebben gesloopt. Het waardeverschil tussen de grond mét opstallen ten tijde van de koop en de bouwrijpe grond op enig later moment komt (minus sloopkosten) hoe dan ook aan de koper toe omdat hij op een vast moment voor een vast bedrag heeft gekocht, of dat vaste bedrag nu inclusief of exclusief geschatte sloopkosten is.