Conclusie
eerste onderdeelbetoogt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw Pro en dat [verzoeker] uitgebreid heeft gemotiveerd en gedocumenteerd dat in zijn situatie zodanige omstandigheden aanwezig waren. De klacht kan reeds niet slagen omdat deze niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro voldoet. Niet is immers vermeld i) op welke omstandigheden [verzoeker] doelt en ii) waar de door [verzoeker] op dat punt ingenomen stellingen in de processtukken zijn terug te vinden. Voor zover het betoog op bladzijde 7 (vanaf de dikgedrukte kop “Immers:”) tot en met bladzijde 9 van het cassatieverzoekschrift als een toelichting op deze klacht is bedoeld is onbegrijpelijk wat hiermee – in dat kader – bedoeld wordt. Het betoog betreft immers een toelichting op (c.q. betwisting van) de afzonderlijke schuldenposten. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit betoog tot de conclusie had moeten leiden dat er in het geval van [verzoeker] omstandigheden waren op grond waarvan van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f FW Pro kon worden afgezien. [1]
onderdelen 2 tot en met 6trekken alle ten strijde tegen overwegingen die ’s hofs beslissing niet dragen en kunnen aldus niet tot cassatie leiden.