ECLI:NL:PHR:2016:153

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2016
Publicatiedatum
29 maart 2016
Zaaknummer
15/05143
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitieArt. 2 onder C OpiumwetArt. 472, tweede lid, SvArt. 471, eerste lid, SvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij veroordeling voor wapens en drugs

De aanvrager werd bij verstek veroordeeld door de politierechter in Groningen wegens het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en de Opiumwet, met een werkstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. De bewezenverklaarde feiten dateren van 29 augustus 2014.

De aanvraag tot herziening is gebaseerd op de stelling dat sprake is van persoonsverwisseling: de aanvrager was niet de persoon die de strafbare feiten pleegde. Ter onderbouwing is een aanvullend proces-verbaal overgelegd waarin politieverbalisanten verklaren dat de aangehouden verdachte op 29 augustus 2014 valse persoonsgegevens heeft opgegeven, namelijk die van de aanvrager.

Vingerafdrukvergelijking en fotoverificatie tonen aan dat de aangehouden verdachte niet overeenkomt met de aanvrager. De aanvrager heeft zich later met een geldig paspoort geïdentificeerd en verklaard de feiten niet te hebben gepleegd.

De Hoge Raad oordeelt dat deze nieuwe gegevens, indien bekend bij de politierechter, tot vrijspraak zouden hebben geleid. Daarom wordt de aanvraag tot herziening gegrond verklaard, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis opgeschort of geschorst, en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 15/05143H
Zitting: 8 maart 2016
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2014 met parketnummer 18-197472-14, is de aanvrager wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 2. ”opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” bij verstek veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. De bewezenverklaarde pleegdatum is 29 augustus 2014.
2. Namens de aanvrager heeft mr. V.P.K. van Rosmalen, advocaat te Groningen, een aanvraag tot herziening met betrekking tot voornoemd vonnis van de politierechter ingediend.
3. De aanvraag is voorzien van bijlagen en berust op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling, nu de aanvrager niet de persoon is geweest die het in het bovengenoemde vonnis bewezenverklaarde feit heeft begaan.
4. Ter staving van deze stelling is bij de aanvraag een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten van politie [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 9 januari 2015 overgelegd. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
“Op 29 augustus 2014, omstreeks 21:55 uur, hebben wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , een verdachte aangehouden in verband met het aanwezig hebben van een verboden wapen en het aanwezig hebben van drugs. (…)
Er was hem tevens mede gedeeld dat hij werd bekeurd voor het niet voeren van verlichting op zijn scooter/bromfiets en het niet op eerste vordering kunnen tonen van een geldig rijbewijs.
Hij gaf tijdens de staande houding op te zijn genaamd:
* [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 1986.
(…). Er is tijdens de insluiting geen identiteitsbewijs aangetroffen van de verdachte.
(…)
Op 30 augustus 2014 is de verdachte gehoord door [verbalisant 3] , brigadier van politie eenheid Noord-Nederland.
De verdachte is vervolgens langs de Progriszuil gegaan waarbij er een foto van de verdachte is gemaakt en zijn vingerafdrukken digitaal zijn afgenomen. De verdachte heeft vervolgens wederom dezelfde personalia opgegeven. Zie bijgevoegde id-staat SKDB.
Er is geen document als bedoeld in artikel 1 van Pro de wet op de identificatieplicht overhandigd door de verdachte.
Op 24 december 2014 is [aanvrager] , geboren, op [geboortedatum] 1986, aan het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen geweest. Hij deelde mij, verbalisant [verbalisant 2] , mede dat hij de strafbare feiten niet had gepleegd en dat iemand anders zijn naam had opgegeven.
[aanvrager] heeft vervolgens vrijwillig zijn vingerafdrukken laten afnemen, via de Progriszuil. Deze vingerafdrukken heb ik, verbalisant [verbalisant 2] samen met mijn collega [verbalisant 4] , vervolgens vergeleken met de vingerafdrukken die op 30 augustus 2014 door de aangehouden verdachte, zijn afgegeven.
Ik zag dat er via de progriszuil de melding werd gegeven dat de vingerafdrukken van [aanvrager] niet overeen kwamen met de verdachte die op 29 augustus 2014 was aangehouden en bekeurd voor de vermelde strafbare feiten. Zie bijgevoegde resultaat van de verificatie. [1] Ik zag tevens dat [aanvrager] niet overeenkwam met de foto die vermeld stond op de ID-staat SKDB van de aangehouden verdachte.
[aanvrager] heeft zich later tevens geïdentificeerd met een geldig paspoort. Een kopie van het paspoort van [aanvrager] is bijgevoegd.
De verdachte die op 29 augustus 2014 werd aangehouden heeft kennelijk de valse naam van [aanvrager] opgegeven.”
5. Gelet op de hierboven aangehaalde inhoud van het aanvullende proces-verbaal van bevindingen, is er naar mijn inzicht geen aanleiding om enig nader onderzoek naar de feiten te doen verrichten en is al het ernstige vermoeden ontstaan dat indien deze gegevens aan de politierechter bekend waren geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv is voorzien, de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit is het Resultaat Verificatie van 24 december 2014.