ECLI:NL:PHR:2016:1395

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2016
Publicatiedatum
17 januari 2017
Zaaknummer
15/05905
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen schriftuur middelen

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot veertig maanden gevangenisstraf wegens verkrachting en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend, waarna de termijn voor het indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie op 9 mei 2016 afliep. Gedurende deze termijn heeft de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De Procureur-Generaal concludeert dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. Deze beslissing betreft een procedurele afwijzing en geen inhoudelijke beoordeling van de strafzaak zelf.

De zaak hangt samen met een andere zaak van een medeverdachte die eveneens aan de Hoge Raad is voorgelegd. De conclusie van de Procureur-Generaal is op 22 november 2016 uitgebracht en betreft het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het cassatieberoep wegens het niet naleven van de wettelijke termijnen voor het indienen van middelen van cassatie.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen.

Conclusie

Nr. 15/05905
Zitting: 22 november 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 13 november 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens, onder 1, “verkrachting” en, onder 2, “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” en “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden. Voorts heeft het hof met betrekking tot de verdachte enige in het arrest nader omschreven bijkomende beslissingen genomen.
Deze zaak hangt samen met de zaak van medeverdachte [medeverdachte], die onder nr. 15/05480 bij de Hoge Raad aanhangig is. In de laatstgenoemde zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 13 november 2015 beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 9 mei 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG