Conclusie
Feiten en procesverloop
( [1] )Eén van de afspraken is: “De BV wordt geheel schoon opgeleverd”, in aansluiting waarop
onder meernog is bepaald: dat er geen rekening-courantverhoudingen met de directie c.q. aanhouders zullen bestaan; dat alle door Duinzicht ontvangen huren aan de verhuurders zullen zijn betaald; dat er geen achterstanden c.q. schulden c.q. vorderingen (in enige vorm) bij/van de Fiscus en bedrijfsvereniging zijn en evenmin te verwachten zijn; dat op 1 oktober er op alle Duinzichtrekeningen tezamen een positief saldo van € 10.500,- zal zijn. [eiser] c.s. stellen zich in de brief garant voor de in de brief opgenomen voorwaarden.
( [2] )[eiser] c.s. voeren verweer.
( [3] )Vervolgens oordeelt zij onder meer dat zij aannemelijk gemaakt acht dat zal blijken dat er op 15 oktober 2002 schulden bij Duinzicht bestonden en het tegoed van de rekeningen van Duinzicht tezamen minder bedroeg dan het overeengekomen bedrag van € 10.500,-, en dat derhalve [eiser] c.s. gehouden zijn aan Goedvast schade te vergoeden. Zij veroordeelt hen hoofdelijk, des dat de één betalende de ander bevrijd zal zijn, tot vergoeding aan Goedvast van de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Bovendien veroordeelt zij hen in de kosten van het geding.
“Welke schulden aan derden, belastingen en sociale premies daaronder begrepen, had Duinzigt op genoemde datum –[15 oktober 2002]
– aan derden?
2.Bespreking cassatiemiddel
“Goedvast heeft geen betalingsbewijs van de naheffingsaanslag 1999 overgelegd. Ook hiervan herinnert [eiser] zich dat hij opdracht heeft gegeven om een bezwaarschrift in te dienen. Hiervoor geldt verder dezelfde argumentatie als hierboven bij de post Vennootschapsbelasting is vermeld.”In verband met de vaststelling door de deskundige van de vennootschapsbelastingschuld op een bedrag van € 3.544,54 voeren [eiser] c.s. sub 13 van hun akte na deskundigenbericht onder meer aan:
“Goedvast heeft geen betalingsbewijs van de naheffingsaanslag 1999 overgelegd. Juist voor deze post is dat zeer relevant omdat er meerdere mogelijkheden zijn voor de afwikkeling daarvan. Als eisende partij rust op Goedvast de taak om te bewijzen dat zij dit bedrag heeft voldaan of dat het is verrekend met een andere belastingteruggaaf. Nu Goedvast meer dan tien jaar na dato nog steeds geen betalingsbewijs of bewijs van verrekening heeft kunnen overleggen is de stelling van [eiser] dat deze aanslag zeer waarschijnlijk is teruggedraaid naar aanleiding van een door belastingadviseur [betrokkene] ingediend bezwaarschrift veel aannemelijker.”De betwisting van de schade van Goedvast voor zover die schade betrekking heeft op de door de deskundige vastgestelde vennootschapsbelastingschuld door de deskundige, wordt door het hof gehonoreerd. Een en ander doet, zo wordt geconcludeerd, het oordeel van het hof inzake de omzetbelastingschuld onbegrijpelijk zijn.
( [5] )[de accountant] kwam op een bedrag uit van € 61.125,-, maar de deskundige houdt voor de schuld een bedrag van € 23.801,50 aan; het verschil hangt samen met het niet onderzocht zijn door [de accountant] welke huurontvangsten aan [eiser] c.s. zelf toevielen wegens verhuur van aan hem zelf toebehorend onroerend goed en met de hoogte van de courtage in de periode van 1 januari 2002 tot 15 oktober 2002. Zie diens rapport blz. 10, 11 en 16. De raadsman van [eiser] heeft onder 7 van zijn brief van 20 oktober 2004 (bijlage 7 bij het deskundigenbericht) in het kader van diens commentaar op het conceptbericht ook het bedrag van € 23.801,50 bestreden. Ten aanzien van een 10-tal huren wordt vrij gespecificeerd aangevoerd dat de van sommige huurders ontvangen huur al vóór 15 oktober 2002 is doorbetaald dan wel dat huur van sommige huurders pas na 15 oktober is ontvangen, althans dat niet voldoende vaststaat dat de huur al vóór 15 oktober is ontvangen. Een en ander komt hierop neer, dat de schuld voor een bedrag van € 4.199,74 wordt betwist. Naar aanleiding hiervan merkt de deskundige op blz. 25 van zijn bericht op:
“De reacties van partijen hebben geen informatie opgeleverd die leiden tot de herziening van mijn standpunt ten aanzien van de hoogte van de schuld inzake debiteuren ontvangsten zonder factuur. De werkwijze van [de accountant] voor de vaststelling van de onderhavige schuld is aanvaardbaar en er zijn voor mij geen aanwijzingen om te twijfelen over zijn deskundigheid. Het opnieuw uitvoeren van de werkzaamheden lijkt mij niet rationeel gezien het bedrag van € 4.199,74 dat gemotiveerd betwist wordt.’
“althans op de door hen betwiste posten (uiteraard is het niet nodig om alle werkzaamheden opnieuw te doen)”.
“De deskundige heeft in zijn verantwoording te kennen gegeven dat hij de werkwijze van [de accountant] voor de vaststelling van deze schuld aanvaardbaar vindt en dat hij geen aanwijzingen heeft om te twijfelen aan diens deskundigheid. De deskundige heeft in zijn rapportage met dezelfde, ook bij hem ingebrachte bezwaren van [eiser] c.s. rekening gehouden. Het hof acht zich in het licht daarvan voldoende voorgelicht om tot een vaststelling van deze schuld en wel op voormeld bedrag van € 23.801,50 te komen.”In onderdeel 2 wordt dit oordeel als onbegrijpelijk bestreden. Er kan niet van worden uitgegaan, zoals het hof overweegt, dat de deskundige met de bezwaren van [eiser] c.s. rekening heeft gehouden, want hij heeft de reken-exercitie van [de accountant] niet willen overdoen. Verder wordt nog aangevoerd dat het hof ook zelf niet op de specifieke bezwaren van [eiser] c.s. heeft beslist, althans niet gemotiveerd, zodat ’s hofs beslissing ook in zoverre onbegrijpelijk is.
( [6] )
( [7] )). Het ontstaan van de gehoudenheid van [eiser] c.s. om de zojuist bedoelde schulden te voldoen en van de daarmee corresponderende vordering van Goedvast hing niet hiervan af of [eiser] c.s. ook na een ingebrekestelling nalaten de schulden te voldoen en daarmee in verzuim geraken. Zoals hierboven in 1.5 al vermeld, vloeit reeds uit de in de koopovereenkomst van 27 juli 2002 opgenomen bepaling dat Duinzicht schoon zal worden opgeleverd, voor [eiser] c.s. een – door hen ook erkende – verplichting voort om schulden van Duinzicht, die betrekking hebben op de periode vóór 15 oktober 2002, voor hun rekening te nemen. Ook indien het voor [eiser] c.s. bij gebreke van tijdige kennisgeving van de zijde van Goedvast niet steeds duidelijk is geweest of er een schuld was die voor hun rekening kwam, dan geldt dat aan die onduidelijkheid in ieder geval met het eindarrest van het hof een einde is gekomen. In rov. 14 van dit arrest acht het hof immers bewezen dat er op 15 oktober 2002 voor een bedrag van € 50.638, 65 schulden van Duinzicht bestonden. Het hof kon op basis daarvan en van de al eerder aangenomen verplichting van [eiser] c.s. om die schulden voor zijn rekening te nemen de door Goedvast ingestelde schadevordering toewijzen. De schadevordering strekte er immers toe om die schulden voor rekening van [eiser] c.s. te laten komen.