Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) verkreeg in 1997 uit de nalatenschap van zijn vader een schilderij, getiteld “Still life with peonies” of “Stilleven met pioenen” (hierna: ‘het Schilderij’), dat volgens hem van de hand van Vincent van Gogh (hierna: ‘Van Gogh’) is.
- ii) Verweerster in cassatie (hierna: ‘VGM’) richt zich op de 19e-eeuwse kunst in het algemeen en op het werk van Van Gogh in het bijzonder. Zij heeft een afdeling onderzoek en stelt zich mede tot doel om de door haar verworven kennis algemeen beschikbaar te stellen voor de wetenschap en het publiek. Zij voert authenticiteitsonderzoeken uit en verleent in dat kader gratis service aan eenieder die meent in het bezit van een werk van Van Gogh te zijn. Door ondertekening van een overeenkomst met VGM stemt de aanvrager van zo’n onderzoek in met de door VGM gekozen procedure.
- iii) In december 1978 had de Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie (hierna: ‘RKD’), die toen in samenwerking met het toenmalige Rijksmuseum Vincent van Gogh expertise-onderzoeken uitvoerde, naar aanleiding van een expertise-onderzoek als haar mening gegeven, dat het Schilderij geen werk was van Van Gogh omdat het stilistisch gezien niet paste in één van zijn periodes. Bij die mening bleef RKD in 1981 na een hernieuwd verzoek om de authenticiteit van het schilderij te bepalen.
- iv) In de periode van 1980 tot en met 2003 hebben een elftal deskundigen over (aspecten van) het Schilderij uitlatingen gedaan, die steun bieden aan de mening van [eiser] dat het schilderij een werk van Van Gogh is.
- v) In 2001 is VGM opnieuw verzocht om een onderzoek naar de authenticiteit van het schilderij uit te voeren. Het verzoek werd gedaan door [betrokkene]. Er is door [betrokkene] een overeenkomst ondertekend, waarin onder meer is bepaald:
- vii) Bij brief van 30 juli 2002 heeft [eiser] aan VGM bekend gemaakt dat hij eigenaar is van het schilderij en dat [betrokkene] uitsluitend in zijn opdracht had gehandeld. Daarop heeft VGM bij brief van 31 juli 2002 aan [eiser] verzocht een overeenkomst met VGM zoals hiervoor genoemd, ondertekend retour te sturen. [eiser] heeft daarop bij faxbericht van 2 oktober 2002 aan VGM verzocht om de Opinie met onmiddellijke ingang in te trekken. VGM heeft daarop laten weten de zaak niet meer in behandeling te zullen nemen. Op 12 februari 2004 heeft [eiser] de overeenkomst met VGM alsnog ondertekend teruggestuurd.
- viii) Tussen 2004 en 2012 heeft [eiser] VGM verschillende malen benaderd met het verzoek de Opinie te herzien. VGM zag telkens geen reden om dat te doen en heeft op 13 juni 2012 laten weten dat haar bemoeienis met het schilderij tot een einde was gekomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Daarbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat [eiser] er zelf voor gekozen heeft het VGM om een opinie te vragen.”Onderdeel 1 richt zich met een motiveringsklacht tegen deze overweging. Verondersteld wordt dat het hof met die overweging tot uitdrukking brengt dat vanwege die omstandigheid een minder strenge zorgvuldigheidsnorm voor VGM geldt. Daarmee laat het hof, zo wordt betoogd, genoemde omstandigheid ten nadele van [eiser] meewegen, wat een onbegrijpelijke beslissing is.
( [2] )Vervolgens wordt onder verwijzing naar het gestelde in de memorie van grieven betoogd dat, nu [eiser] de nodige verklaringen/rapporten van deskundigen aan VGM heeft voorgelegd die steun bieden aan zijn standpunt dat het Schilderij een werk van Van Gogh is, VGM niet had mogen volstaan met een onderzoek van een connaisseur – een door VGM als kenner van Van Gogh en diens werk louter visueel uitgevoerd onderzoek – maar een onderzoek had moeten uitvoeren dat aan wetenschappelijke eisen voldoet, wat onder meer betekent dat technische en natuurkundige onderzoekingen hadden moeten plaatsvinden en dat in de verslaggeving van het onderzoek de argumenten pro en contra hadden moet zijn vermeld en vervolgens de afweging tegen elkaar van die argumenten had moeten zijn verantwoord. Ook wordt er nog op gewezen dat in de memorie van grieven ook de deskundigheid van de leden van het team, dat het onderzoek heeft uitgevoerd, aan de orde is gesteld en in dat verband is aangevoerd dat niet de persoon bij VGM met de meeste kennis bij het onderzoek is ingezet.
.Gesteld noch gebleken is dat VGM, bij wie bijzondere kennis van Van Gogh en diens werk aanwezig mag worden geacht, met het uitvoeren van het onderzoek op deze voet niet tot verantwoorde conclusies heeft kunnen komen. Ook is niet gesteld en gebleken dat het (geheel) aanhouden van de door [eiser] verdedigde wetenschappelijke methode waarschijnlijk geleid zou hebben tot bevindingen bij VGM die VGM tot andere inzichten en meningen met betrekking tot de authenticiteit van het Schilderij zouden hebben kunnen brengen. Verder is – in cassatie ook niet bestreden – gebleken dat VGM openstond voor andere inzichten en opvattingen, dus het onderzoek niet met oogkleppen op heeft uitgevoerd of geen bereidheid heeft gehad zijn eigen bevindingen te heroverwegen. De Opinie acht het hof summier maar voldoende duidelijk, begrijpelijk en innerlijk consistent. Dat oordeel is als zodanig niet als onbegrijpelijk bestreden. Dat de Opinie hiermee niet aan alle eisen van de door [eiser] verdedigde wetenschappelijke methode voldoet, impliceert nog niet dat VGM met de Opinie zoals opgesteld onvoldoende zorg jegens [eiser] heeft betracht. Gesteld noch gebleken is dat hij reeds door de wijze van verantwoording van het onderzoek in de Opinie is benadeeld.
“dat het VGM zich heeft verdiept in de schildertechniek, het doek, de gebruikte kleuren, de handtekening en de bijzonderheden van het schilderij”,meer in het bijzonder tegen het gebruik van het woord
“verdiept”. Dat woord wordt opgevat als zich ernstig gewijd hebben aan de studie van genoemde aspecten. Daarvoor is echter, zo wordt betoogd, geen grondslag in der stukken te vinden. VGM heeft zelf gesteld alleen visueel onderzoek te hebben verricht en niet tevens aanvullend technisch onderzoek.