ECLI:NL:PHR:2016:126

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
22 maart 2016
Zaaknummer
15/02552
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 15 Reglement rijbewijzen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden vrijspraak rijbewijszaak

Aanvrager werd door de kantonrechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 23 februari 2001 een motorrijtuig bestuurde zonder geldig rijbewijs van de juiste categorie.

De aanvraag tot herziening berustte op de stelling dat aanvrager ten tijde van de overtreding beschikte over een geldig rijbewijs B. Ter onderbouwing werd een brief van de RDW en een uittreksel uit het justitieel documentatieregister overgelegd.

De Hoge Raad overwoog dat het bezit van een rijbewijs B niet uitsluit dat aanvrager een motorrijtuig bestuurde waarvoor een ander rijbewijs vereist was, bijvoorbeeld een voertuig met een toegestane maximum massa boven 3500 kg of met een zware aanhangwagen.

Daarom bestaat geen ernstig vermoeden dat de kantonrechter bij kennis van het geldige rijbewijs tot vrijspraak zou zijn gekomen. De aanvraag tot herziening wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard omdat geen ernstig vermoeden van vrijspraak bestaat.

Conclusie

Nr. 15/02552
Zitting: 26 januari 2016
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[aanvrager].
1. Aanvrager van herziening is door de kantonrechter in de Rechtbank Dordrecht bij onherroepelijk vonnis van 27 maart 2002 wegens – voor zover hier van belang - “overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994”, gepleegd op 23 februari 2001, veroordeeld tot een geldboete van € 211,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.
2. Namens de aanvrager heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van dit vonnis ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit beschikte over een geldig rijbewijs.
4. Ter staving van de aanvraag zijn daarbij gevoegd een brief van de RDW, divisie registratie en informatie d.d. 23 augustus 2013, onder meer inhoudende:
“[aanvrager] geboren op: [geboortedatum]-1978 te: Dordrecht staat geregistreerd in het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB) met een Nederlands rijbewijs dat is afgegeven door de Burgemeester van de gemeente Dordrecht op: 02-04-2009 met het nummer: [001].
Cat. Eerste afgifte Geldig tot Beperkende bepalingen
AM 02-04-2009 02-04-2019
B 06-01-1999 02-04-2019”
alsmede een Uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 17 april 2011 ten name van aanvrager. Dit uittreksel vermeldt onder meer dat aanvrager meermalen ter zake van overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994 ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
5. Art. 107 lid 1 WVW Pro 1994 luidt:
“Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.”
6. De omstandigheid dat aanvrager, zoals hij blijkens de hiervoor aangehaalde brief van 23 augustus 2013 kennelijk wil stellen, ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding beschikte over een rijbewijs B, sluit niet uit dat hij op 23 februari 2001 een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij niet over een rijbewijs beschikte van de categorie waartoe het door hem bestuurde motorrijtuig behoorde. Hij kan bijvoorbeeld een motorrijtuig hebben bestuurd waarvan de toegestane maximum massa meer bedroeg dan 3500 kg dan wel met het door hem bestuurde motorrijtuig een aanhangwagen hebben voortbewogen waarvan de toegestane maximum massa meer bedroeg dan 750 kg (vgl. art. 15 Reglement Pro rijbewijzen).
7. Uit het voorgaande volgt dat uit de door aanvrager genoemde omstandigheid niet het ernstige vermoeden voortvloeit dat de kantonrechter, zou hij daarmee bekend zijn geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van hetgeen ten laste van hem is bewezenverklaard.
8. De aanvraag is derhalve ongegrond.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG