Conclusie
[verweerder 1],
[verweerder 2],
2.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
onderdeel bwordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de verklaring houdende bekrachtiging van een overeenkomst namens een niet bestaande BV dan wel een BV i.o dient te worden gericht tot de wederpartij bij die overeenkomst om werking te kunnen hebben. In
onderdeel cwordt betoogd dat het hof heeft miskend dat de verklaring houdende bekrachtiging van de koopovereenkomst Van de Vrande moet hebben bereikt om haar werking te kunnen hebben.
onderdeel dwordt betoogd dat het hof bij het oordeel, dat van een onrechtmatige daad door [verweerder] geen sprake is omdat ingevolge de oprichtingsakte bekrachtiging heeft plaatsgevonden, heeft miskend dat niet bepalend is of [verweerder] als indirect bestuurder op het moment van oprichting wist of redelijkerwijs kon weten dat Frère haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen, maar of [verweerder] dit wist op het moment dat de verklaring houdende bekrachtiging tot [eiseres] werd gericht en deze door haar werd ontvangen.
onderdeel awordt aangevoerd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bekrachtigingsverklaring in de oprichtingsakte, die betrekking heeft op rechtshandelingen die namens de in oprichting zijnde vennootschap zijn verricht door de oprichters, mede ziet op de overeenkomst die namens de vennootschap is aangegaan door [verweerder] en waarom [eiseres] dit zou hebben moeten begrijpen. Het onderdeel wijst erop dat de bekrachtiging in de oprichtingsakte slechts betrekking heeft op rechtshandelingen van de oprichters (Renla Beheer BV en [B] BV) en zij niet betrokken waren bij het aangaan van de overeenkomst met [eiseres] .