Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
high carehospice), dus niet om ‘ziekenhuis-verplaatste zorg’, maar om
thuiszorg en gezelschap. Er kan mijns inziens vanuit gegaan worden dat een hospice dat voor
high careis ontworpen en gebouwd (ziekenhuisvervanger), niet hetzelfde ontwerp en dezelfde indeling zal hebben als een hospice dat ontworpen en gebouwd is als bijna-thuis hospice (thuis(zorg)vervanger). Er zijn in casu geen ‘medische’ ruimten. De zes
unitsvoor de huurders zijn ontworpen en bestemd als privé-ruimten voor terminaal zieken en de logeerruimten voor hun privé-gasten. De
unitsbeschikken weliswaar niet over een eigen douche/bad/wc of separate woonkamer, maar er zijn drie gemene badkamers/wc’s (1 op 2) en één gemene woonkamer (1 op 6). Het Hof heeft mijns inziens hierop zijn oordeel kunnen baseren dat de functie met het oog waarop het hospice is ontworpen en gebouwd, ‘wonen’ is en niet (zoals mogelijk bij een
high carehospice, ‘verpleging’ of ‘ziekenhuis’). Dat individuele huurders uit de aard der zaken mogelijk niet lang blijven, doet daar niet aan af. Beslissend is of het hospice objectief (bouwkundig beoordeeld) een woonfunctie en –bestemming heeft; niet hoe lang de huurders blijven.
nietgefacilieerd worden diverse verkrijgingen die daar wél aan bijdragen. Het gegeven dat ook de eigenaarswisseling van – ook huurbeschermde - huurwoningen expliciet gefacilieerd is, impliceert mijns inziens dat het doorstromingsaspect in casu evenmin betekenis heeft.
bestemdis voor gebruik als een verpleeg- of verzorgingsinstelling of ziekenhuis’ (
curs. PJW). Dat werpt echter geen licht op belanghebbendes zaak, nu de vraag juist is waartoe het litigieuze gebouw naar zijn aard ‘bestemd’ is. Het Hof heeft kunnen oordelen dat het ontworpen en gebouwd is als bijna-thuis hospice en niet als verpleeg- of ziekenhuis. Zoals bovendien in 5.13 van de bijlage betoogd, zet de negatieve lijst het door de wetgever gewenste algemene en objectieve criterium ‘naar zijn aard bestemd’ niet opzij. Zelfs als het hospice feitelijk zou worden gebruikt als ziekenhuis, maar naar zijn bouwkundige aard niet daarvoor maar voor bewoning bestemd zou zijn, zou de verkrijging gefacilieerd zijn.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
unitsin het gebouw verhuurt aan terminaal zieke particulieren. De leveringsakte vermeldt dat de onroerende zaak als gebruiksdoel een woonfunctie heeft.
unitinrichten met eigen spullen en naar eigen behoeften en wensen. In de prijs die Stichting [A] de bewoner in rekening brengt, zijn maaltijden, koffie, thee, etc. inbegrepen, maar de bewoner kan dat ook zelf (laten) regelen. De bewoners kunnen na voorafgaand overleg huisdieren houden en logées uitnodigen in hun
units.
NTFR2016/2102:
FutD2016/1698 tekende het volgende aan:
3.Het geding in cassatie
high carehospices, maar ik heb in de bijlagen bij haar verweerschrift geen visie van de Raad van State aangetroffen.
4.Beoordeling van het middel
high carehospices (wikipedia noemt als kenmerk: 24 uur per dag medische zorg aanwezig die ‘ziekenhuis-verplaatste zorg’ kan uitvoeren). De belanghebbende wijst bij verweer op eenzelfde onderscheid dat gemaakt zou worden in de “bijgesloten visie van de Raad van State”, maar ik heb in de bijlagen bij haar verweerschrift geen visie van de Raad van State aangetroffen. Ik leid uit de vastgestelde feiten af dat het litigieuze hospice behoort tot de bijna-thuis categorie. Dat hoeft niet de doorslag te geven, nu het feitelijke gebruik immers niet beslissend is (zie de onderdelen 5.1, 5.12 en 6.1 van de bijlage). Wel kan er mijns inziens ook in cassatie vanuit gegaan worden dat een hospice dat voor
high careis ontworpen en gebouwd (ziekenhuisvervanger), niet hetzelfde ontwerp, dezelfde indeling en dezelfde functies zal hebben als een hospice dat ontworpen en gebouwd is als bijna-thuis hospice (thuis(zorg)vervanger); het eerste zal denkelijk meer ziekenhuisachtige bouwkundige kenmerken hebben (zoals ruimten voor medische apparatuur en andere medische voorzieningen, voor eigen energievoorziening bij stroomuitval, voor het 24 uur per dag aanwezige medische personeel (dat er niet woont, maar werkt) en voor een apotheek(je)) dan het laatste, dat juist thuiszorgelingen of medisch ‘uitbehandelden’ zal huisvesten en dat dergelijke ruimten daarom niet (nodig) heeft.
units, de bad/wc-ruimten en de woonkamer in het litigieuze hospice zijn kennelijk, gezien ’s Hofs vaststellingen, ontworpen en bestemd als (deels gedeelde) privé-ruimten voor terminaal zieken, en de logeerruimten voor hun privé-gasten. Er zijn naast deze verblijfsruimten geen ‘medische’ ruimten, maar alleen een kantoor/vergaderruimte en verkeers- en technische ruimten. De
unitsbeschikken weliswaar niet over een eigen douche/bad/wc of separate woonkamer, maar er zijn drie gemene badkamers/wc’s (1 op 2) en één gemene woonkamer (1 op 6) op de zes
units. Deze verhoudingen zijn niet onverenigbaar met een bouwkundige woonfunctie en wijken denkelijk niet ongunstig af van de verhoudingen in sommige studentenhuizen en oudere studentenflats, die door de Executieve als woningen in de zin van art. 14(2) WBR worden aangemerkt (zie het antwoord op de vragen 23 en 24 van de KNB in onderdeel 2.6 van de bijlage). De huurders kunnen, gelet op de indeling en het geheel van voorzieningen, voor onbepaalde tijd en relatief langdurig als bewoner in het hospice verblijven. Het Hof heeft mijns inziens op dit een en ander kunnen baseren dat de functie met het oog waarop het hospice is ontworpen en gebouwd, ‘wonen’ is en niet (zoals mogelijk bij een
high carehospice) ‘verpleging’ of ‘ziekenhuis’. Dat individuele huurders uit de aard der zaken mogelijk niet lang zullen blijven, doet daar niet aan af. Zou dat beslissend zijn, dan zou evenmin gefacilieerd zijn de verkrijging van onmiskenbare woningen waar de eigenaar of huurder zelf niet meer woont omdat hij/zij de woning min of meer voortdurend door middel van Airbnb uitmelkt. Feitelijk gebruik is niet beslissend en de feitelijke gebruiksduur dus ook niet. Beslissend is of het hospice objectief (naar zijn bouwkundige aard beoordeeld) een woonfunctie en –bestemming heeft; niet hoe lang de huurders blijven of hoeveel zij betalen en wat in die prijs is begrepen.
nietgefacilieerd worden diverse verkrijgingen die daar wél aan bijdragen, zoals de verkrijging van structureel bewoonde gebouwen die niet als woning zijn ontworpen en gebouwd, noch structureel aldus zijn verbouwd. Ten opzichte van het verklaarde doel van de regeling (doorstroming) is het gekozen beslissende objectieve criterium (‘aard’) tegelijk
overinclusiveen
underinclusive. Het gegeven dat ook de eigenaarswisseling van – ook huurbeschermde – verhuurde woningen expliciet gefacilieerd is, hoewel dat geen doorstromingseffect heeft, impliceert mijns inziens dat aan het doorstromingsaspect in casu evenmin betekenis toekomt.
bestemdis voor gebruik als een verpleeg- of verzorgingsinstelling of ziekenhuis’ (
curs. PJW). Dat werpt echter geen licht op belanghebbendes zaak, nu de vraag juist is waartoe het litigieuze gebouw naar zijn aard ‘bestemd’ is. Het Hof heeft op basis van de door hem vastgestelde feiten (impliciet) kunnen oordelen dat het ontworpen en gebouwd is als bijna-thuis hospice en daarmee naar zijn aard bestemd is voor bewoning door terminaal zieken die niet zozeer verpleging of medische behandeling behoeven, maar
thuiszorg en gezelschap (het gecursiveerde woord zegt het al). Ten overvloede: zoals in 5.14 van de bijlage betoogd, is er geen reden om te veronderstellen dat de negatieve lijst het door de wetgever gewenste algemene en objectieve criterium ‘naar zijn aard bestemd’ opzij zou zetten. Zoals daar bleek, is er eerder een aanwijzing voor het tegendeel, juist ter zake van verpleeghuizen etc. Daaruit volgt dat zelfs als het litigieuze gebouw feitelijk (wél) zou worden gebruikt als ziekenhuis, maar naar zijn bouwkundige aard niet daarvoor maar voor bewoning bestemd zou zijn, de verkrijging ervan gefacilieerd zou zijn. Andersom: verkrijging van een als ziekenhuis ontworpen en gebouwd pand is niet gefacilieerd, ook niet als het structureel bewoond wordt (zonder eerst daartoe zodanig ingrijpend verbouwd te zijn geweest dat objectief van een bouwkundige functie- en bestemmingswijziging gesproken moet worden).