Conclusie
middelkomt op tegen de afwijzing door het Hof van de verzoeken tot het horen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige.
Ik handhaaf de nog resterende verzoeken die zijn gedaan op 6 maart 2014, te weten het horen van de heer [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3]. Ten aanzien van de onderbouwing van mijn verzoeken verwijs ik naar mijn faxbericht van 6 maart 2014. De grootouders van mijn cliënt hebben verklaard over [betrokkene 1]. Het openbaar ministerie vond het niet nodig om hem te horen, maar ik blijf erbij dat [betrokkene 1], gezien de verklaringen van de grootouders van mijn cliënt, mogelijk meer van deze zaak weet. [betrokkene 2] heeft niets verklaard, maar heeft wel belastende uitlatingen gedaan tegenover verbalisanten in de wandelgangen. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij dit betwist. Dit zou erop kunnen duiden dat [betrokkene 2] leugenachtig heeft verklaard bij de politie, hetgeen hem minder betrouwbaar maakt, zeker nu hij zou zijn gebeld op een telefoonnummer, waarvan hij zegt dat hij dit niet gebruikt. De verdediging heeft de indruk dat [betrokkene 2] niet het achterste van zijn tong laat zien. [betrokkene 3], de broer van mijn cliënt, die in eerste aanleg is vrijgesproken, kan verklaren over het al dan niet betrokken zijn van mijn cliënt bij het tenlastegelegde.
De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven –:
Wat betreft de nog resterende verzoeken van 6 maart 2014 blijf ik bij mijn eerder ingenomen standpunt. Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] moet worden afgewezen vanwege het niet voldoen aan het noodzaakcriterium.
(…)
Oma heeft aanvankelijk geaarzeld om de naam [betrokkene 1] te noemen, maar zij heeft dit later wel gedaan. Als haar verklaring, inhoudende dat het een blonde man bij het ophalen van de monstrans aanwezig was, juist is, dan is [betrokkene 1] bij het ophalen van de monstrans geweest. Dit is nieuwe informatie. Het is van belang en noodzakelijk om [betrokkene 1] hierover te bevragen. De verdediging heeft de indruk dat [betrokkene 2] niet het achterste van zijn tong laat zien. Historische printgegeven tonen aan dat mijn cliënt hem heeft gebeld, terwijl [betrokkene 2] zegt dat hij dit nummer nooit heeft gebruikt. De verdediging wil [betrokkene 2] bevragen over de voor mijn cliënt belastende uitlatingen die hij buiten het verhoor om heeft gedaan.
(…)
Er moet recht gedaan worden op basis van de feiten. Het mag niet zo zijn dat de mate van publiciteit en deining in de maatschappij leidt tot verschillen in de zwaarte van de op te leggen straffen. Het openbaar ministerie meent dat er sprake is van medeplegen, derhalve van een nauwe en bewuste samenwerking, van samen plannen maken. Dit is echter op grond van het onderhavige dossier niet te bewijzen. Daarom moet mijn cliënt worden vrijgesproken van het medeplegen van de diefstal. Wat betreft de heling refereer ik mij aan het oordeel van het hof.
Verzoeken van de verdediging
toewijzingin aanmerking komen (cursivering van mij, PV) gelet op de alinea in zijn geheel moet worden aangemerkt als kennelijke misslag; het middel klaagt ook niet over deze inconsistentie.
2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.”