Conclusie
[eiser 1],
[eiseres 2],
subonderdelen 1.1 en 1.2missen feitelijke grondslag, nu deze berusten op de onjuiste lezing dat het hof in rov. 3.3 voor de uitleg van de obligatoire koop/aannemingsovereenkomst waarbij [eisers] c.s. een vakantievilla in het Villapark Livingstone heeft aangeschaft, is uitgegaan van een objectieve uitlegmaatstaf, met miskenning van de (toepasselijkheid van de) Haviltex-maatstaf. Het hof heeft immers in rov. 3.3 ten aanzien van de uitleg van de koop/aannemingsovereenkomst met zoveel woorden de – door hem in rov. 3.2 geciteerde – Haviltex-maatstaf tot uitgangspunt genomen en deze klaarblijkelijk ook ter beoordeling van het relevante beding uit deze overeenkomst gehanteerd.
Subonderdeel 2.1klaagt dat de uitleg van het relevante beding door het hof in rov. 3.3 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat dit beding niet anders te verstaan is dan dat de koper zich verplicht om slechts exploitatie-, onderhouds- en beheerskosten (en niet tevens – hiervan te onderscheiden – verenigingskosten) te betalen. Ook dit subonderdeel kan klaarblijkelijk niet slagen, nu het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat een dergelijke uitleg niet voor de hand ligt, zijn oordeel op dit punt (waaronder zijn eigen uitleg van het beding) uitvoerig heeft gemotiveerd, en dit oordeel evenmin is te kwalificeren als onbegrijpelijk. Voor zover het subonderdeel nog betoogt dat hier – conform het vermeende oordeel van het hof – objectief zou moeten worden uitgelegd, is dit niet alleen onjuist, maar ook in strijd met het door het middel in subonderdeel 1.1 betoogde.
Subonderdeel 2.2bevat in feite dezelfde klacht als subonderdeel 2.1. Dit subonderdeel stuit derhalve af op hetgeen reeds onder 4 ten aanzien van subonderdeel 2.1 werd overwogen.
Subonderdeel 2.3bevat een voortbouwende klacht en moet het lot delen van subonderdelen 2.1 en 2.2.
Subonderdeel 3.1acht ’s hofs uitleg van de stellingen van [eisers] c.s. in rov. 3.3 niet verenigbaar met een groot aantal (althans op vele verschillende vindplaatsen vermelde) door hem in eerste aanleg en hoger beroep naar voren gebrachte stellingen. Het omschrijft deze stellingen aldus, dat die er in essentie op neerkomen dat [eisers] c.s. er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat het relevante beding uit de koop/aannemingsovereenkomst
niettevens omvat de verplichting tot het betalen van de (hoge) kosten die door de VvE gemaakt worden om de eigenaren te faciliteren die hun vakantievilla in Villapark Livingstone
verhuren. Bij deze klacht bestaat geen belang, nu de verwerping van bedoelde stelling ook reeds
voortvloeit uit, en het oordeel van het hof dat deze ‘verhuurkosten’ – die het hof in rov. 3.4 kennelijk en niet onbegrijpelijk aanmerkt als beheerskosten (niet zijnde verenigingskosten) – door [eisers] c.s. moeten worden betaald, ook reeds
zelfstandig gedragen wordt door, de overwegingen van het hof in rov. 3.4 dat 1) [eisers] c.s. uitdrukkelijk de voor hem uit de beheersovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen de verplichting tot het betalen van de verschuldigde bijdragen, heeft aanvaard, 2) daaraan niet afdoet dat [eisers] c.s. zelf zijn vakantiewoning niet verhuurt, en 3) de VvE gemotiveerd (en door [eisers] c.s. onvoldoende onderbouwd betwist) heeft aangevoerd dat de beheerskosten niet slechts worden gemaakt ten behoeve van de verhuur van de villa’s op het park, en wat die beheerskosten allemaal omvatten. Tegen rov. 3.4 wordt echter niet opgekomen met subonderdeel 3.1 en – blijkens het onderstaande – ook slechts tevergeefs met de wel daartegen gerichte subonderdelen 4.1 tot en met 4.4.
Subonderdeel 4.1bevat de klacht dat het hof ook in rov. 3.4 de Haviltex-maatstaf miskent, waar het tot het oordeel komt dat in de leveringsakte is opgenomen dat [eisers] c.s. als koper de voor hem uit de beheersovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen de verplichting tot het betalen van de verschuldigde bijdragen, heeft aanvaard. Ook indien – met de steller van het middel – zou moeten worden aangenomen dat voor het litigieuze beding – dat niet tevens in de koopovereenkomst was opgenomen – de Haviltex-maatstaf geldt, treft de klacht geen doel. Het hof heeft immers in rov. 3.4 – in cassatie onbestreden althans in subonderdeel 4.3 (zie hieronder) tevergeefs bestreden – vastgesteld dat [eisers] c.s. de gemotiveerde stelling van de VvE dat de beheerskosten niet slechts worden gemaakt ten behoeve van de verhuur van de villa’s op het park, en haar stelling omtrent hetgeen onder beheerskosten volgens de VvE valt, onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Daarmee is het hof niet meer toegekomen aan een zelfstandige beoordeling van wat de (in de leveringsakte aanvaarde) beheerskosten omvatten aan de hand van de Haviltex-maatstaf, en heeft het hof daaraan ook niet kunnen toekomen. Het subonderdeel geeft voor het overige niet aan in welke zin de Haviltex-maatstaf tot een andere uitkomst had moeten en/of kunnen leiden ten aanzien van de vraag of [eisers] c.s. de verplichting tot betaling van beheerskosten heeft aanvaard.
Subonderdeel 4.2hangt nauw samen met subonderdeel 4.1 en faalt op dezelfde gronden.
Subonderdeel 4.3faalt ook op de onder 8 genoemde gronden. Voor zover dit subonderdeel 4.3 beoogt op te komen tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat [eisers] c.s. de (gemotiveerde) stellingen van de VvE met betrekking tot wat er allemaal onder beheerskosten valt, onvoldoende onderbouwd heeft betwist, doet het dit zonder enige nadere motivering of uitleg en voldoet het daarmee niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
Subonderdeel 4.4komt op tegen een niet-dragende overweging. Eisers in cassatie hebben derhalve geen belang bij dit subonderdeel.
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.