Conclusie
1.Feiten en procesverloop(voor zover in cassatie nog van belang)
( [1] )
( [2] )Een en ander is door de vrouw betwist, onder meer in een brief van 2 november 2009 van haar raadsvrouw aan de rechtbank.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
( [3] )
aan haar zijde. Uit dat oordeel blijkt van de opvatting van het hof dat voor de beantwoording van de vraag of er een verrekenplicht op de voet van de artikelen 1:141 jo. 1:136 BW bestaat, relevant is met wiens te verrekenen maar niet verrekend inkomsten en/of vermogen in een vermogensobject is geïnvesteerd. Volgens het hof is de ene echtgenoot (in casu de vrouw) met betrekking tot een hem toebehorende vermogensbestanddeel pas dan jegens de andere echtgenoot (in casu de man) gehouden tot verrekening op de voet van de artikelen 1:141 jo. 1:136 BW, indien de eerstgenoemde echtgenoot met eigen te verrekenen maar niet verrekend inkomen of vermogen in een hem toebehorend vermogensbestanddeel (in casu de echtelijke woning ten tijde van de echtscheiding) heeft geïnvesteerd. Betoogd wordt, dat het hof hiermee miskent dat het voor de toepassing van de in de artikelen 1:141 lid 1 jo. 1:136 lid 1 neergelegde beleggingsleer (plicht tot verrekening van meerwaarde) niet relevant is van welke echtgenoot het overgespaarde (en niet verrekende) inkomen (en/of vermogen) afkomstig is en in wiens vermogen dat is geïnvesteerd.
( [4] )Dit standpunt vindt bijval van C.A. Kraan, naar wiens mening een echtgenoot niet kan beleggen in een woning die op naam van de andere echtgenoot staat.
( [5] )L.H.M. Zonneberg bestrijdt het standpunt van Breederveld; naar zijn mening is het voor de afwikkeling van het verrekenbeding niet van belang wiens of wier overgespaarde inkomen in de woning is ‘belegd’.
( [6] )In gelijke zin J.A.M.P Keijser
(4)en T.M. Subelach.
( [7] )
( [8] )biedt ook geen steun voor het in 2.4 genoemde standpunt.
( [9] )Eén van de arresten van de Hoge Raad waarop wordt gedoeld, is het arrest Vossen/Swinkels van 7 april 1995
( [10] ), waarin de Hoge Raad in rov. 3.3.2 onder meer overweegt:
( [11] )De Hoge Raad overweegt onder meer:
subonderdeel II.1wordt bestreden dat het hof de man met het bewijs heeft belast dat, zoals door hem gesteld, door hem aflossingen zijn gedaan ter zake van de hypothecaire geldleningen, die voor de financiering van de verschillende echtelijke woningen zijn aangegaan, en door hem waarde vermeerderende investeringen in die woningen zijn gedaan, en dat het hof daartoe beslist omdat het de vrouw geslaagd acht in het leveren van het tegenbewijs tegen het vermoeden als bedoeld in artikel 1:141 lid 3 BW Pro. Betoogd wordt dat het hof daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 1:141 lid 3 BW Pro, waarin immers, voor het geval dat bij het einde van een huwelijk blijkt dat niet aan de periodieke verrekenplicht is voldaan, is bepaald dat het alsdan aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.
subonderdeel II.2stoelt op de veronderstelling dat het hof van een juiste opvatting omtrent het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro is uitgegaan. Dat is echter blijkens de uiteenzettingen hierboven betreffende onderdeel I en subonderdeel II.1 niet het geval. Dit betekent dat subonderdeel II.2 verder onbesproken kan blijven.
( [12] )Het onderdeel wijst verder naar de tussenbeschikking van de rechtbank van 16 december 2009 (rov. 3.5).
allewoningen zijn gefinancierd met de opbrengst van de eerdere woningen en een hypothecaire geldlening. Daarmee is het bestreden oordeel in ieder geval onbegrijpelijk.
3.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
verkrijgingvan het goed gedaan, het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 1:136 BW Pro. Dit betoog stuit af op hetgeen hiervoor bij de bespreking van onderdeel I van het principaal cassatiemiddel naar voren is gekomen. Daar is reeds erop gewezen dat de Hoge Raad in een arrest van 10 juli 2009 heeft bevestigd dat de beleggingsleer niet slechts geldt wanneer ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen een vermogensobject wordt verworven maar ook wanneer een vermogensobject wordt verbeterd. Dit laatste kan het geval zijn bij bijvoorbeeld een ingrijpende verbouwing van een woning.