ECLI:NL:PHR:2015:427

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
13/01856
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging doodslag en medeplegen zware mishandeling

Verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot twee jaar en acht maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en poging tot medeplegen van zware mishandeling op 11 mei 2006 in Amsterdam. Het hof baseerde zich op verklaringen van slachtoffers, getuigenverklaringen, medische rapporten en bewakingsbeelden.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaringen van een slachtoffer, [betrokkene 6], onbetrouwbaar waren vanwege innerlijke tegenstrijdigheden en beïnvloeding. Het hof verwierp dit en achtte de eerste verklaringen van het slachtoffer, kort na het incident, betrouwbaar. De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende redenen gaf voor deze waardering en dat de selectie van bewijsmateriaal aan het hof is.

Ten aanzien van het tweede slachtoffer, [betrokkene 8], erkent het hof onzekerheid over de exacte identiteit, maar acht bewezen dat verdachte samen met anderen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De Hoge Raad oordeelt dat deze bewijsmiddelen samen de bewezenverklaring dragen en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twee jaar en acht maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en medeplegen van zware mishandeling.

Conclusie

Nr. 13/01856
Zitting: 24 maart 2015
(bij vervroeging)
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 8 oktober 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair “Poging tot doodslag” en 2 meest subsidiair “Poging tot medeplegen van zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en acht maanden.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 13/04892 en 13/01856. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat uit de verklaring van [betrokkene 6] volgt dat hij (aanvankelijk) niet wist dat hij gestoken was, zodat zijn verklaring dat het verzoeker is geweest die heeft gestoken onbetrouwbaar is, althans dat die verklaring in zoverre de bewezenverklaring niet kan dragen.
5. Ten laste van verzoeker is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat hij:
“op 11 mei 2006 te Amsterdam in de gemeente Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [betrokkene 6] van het leven te beroven, met een mes en/of puntig scherp voorwerp in het lichaam van die [betrokkene 6] heeft gestoken zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2013 heeft de raadsvrouw van verzoeker overeenkomstig haar overgelegde pleitnota (bijlage 2, p.5) aldaar het volgende tot verdediging aangevoerd ter zake van de verklaringen die [betrokkene 6] heeft afgelegd: [1]
“ (…)

Verklaringen [betrokkene 6]:

[betrokkene 6] heeft een zevental verklaringen afgelegd. Vijf bij de politie en twee bij de Rechter/Raadsheer-commissaris. Zijn verklaringen zijn innerlijk tegenstrijdig. [betrokkene 6] verklaart in de eerste instantie op 11 mei 2006 dat hij geen daders heeft gezien. Op 12 mei verklaart hij dat hij geen namen kent maar de mannen wel zou kunnen herkennen. Op 27 mei 2006 noemt [betrokkene 6] de namen van drie personen en zelfs de bijnaam van cliënt en zijn adres in Duitsland. Op 27 mei 2007 verklaart [betrokkene 6] dat hij de namen in opdracht van een Turkse man, die hem destijds in het ziekenhuis heeft bezocht, heeft genoemd. Deze man zou in opdracht van [betrokkene 8] hebben gehandeld. [betrokkene 6] verklaart de ene keer wel en de andere keer geen mes te hebben gezien. Hij verklaart wel consistent over het feit dat hij binnen niet heeft gemerkt dat hij gestoken was.
12 mei 2006 (pagina 040880 ordner 53)
"Er kwam een vijftal gespierde jongens binnen. Ik heb ze niets horen zeggen. De vijf gespierde jongens liepen direct op [betrokkene 8] af. Ik zag dat die vijf gespierde mannen [betrokkene 8] begonnen te slaan. Ik ben direct richting de uitgang van de belwinkel gaan rennen.
Voordat ik ging rennen ben ik door een van de vijf gespierde neergestoken. Dat denk ik tenminste, want toen ik buiten was zag ik dat ik bloedde". En..
"Ik heb twee van die 5 gespierde mannen eerder gezien... Ik zou hen wel van de foto's kunnen herkennen maar ik weet geen namen... De Turken die ik van de wallen herkenden zijn ongeveer 1.90 lang en type bodybuilder. Zij hadden een snor en sik"
27 mei 2006 (pagina 040882 ordner 53)
"Ik heb ze niet binnen zien komen. De jongen die ik ken, had gelijk een mes in zijn handen... Ik zal deze jongen straks omschrijven en benoemen. De jongen heeft mijgestoken, maar ik heb het niet gemerkt...(Opmerking raadsvrouwe en dus ook niet gezien!)
Het enige wat ik gehoord heb is nu aanvallen.... De namen van de drie mannen zijn:
l)[...], dat is bijnaam van [verdachte], [...], [...], dat is de man die mij gestoken heeft. 2)[medeverdachte] en 3)[betrokkene 14], zijn echte naam is [...].Hoe weet je die namen?
Ik ken hen al langer, van vroeger"
27 augustus 2007 (pagina 040880 ordner 53)
U verklaarde dat u vijf mannen heeft gezien. Wist u daar ter plaatse al dat het om vijf mannen ging? "
Nee ik dacht dat het om 3 mannen ging. Later op het politiebureau zag ik op de bewakingscamera 's dat het 5 mannen waren ".
U heeft in uw verklaring van 27 mei 2006 verteld dat u enkelen van de mannen kende. U heeft nam en toenaam gnoemd. Hoe kende u die mannen? "
ik kende die mannen eigenlijk niet. Op enig moment kwam in het ziekenhuis een voor mij onbekende Turkse man. Hij had een papiertje bij zich en hij vertellde mij wat ik aan de politie moest vertellen... U verklaart telkenmale over een mes en dat u gestoken bent. U verklaarde aan de andere kant da tu buiten de zaak pas bemerkte dat u gestoken was. Heeft u een mes gezien?
"nee, ik heb niets gezien. Ik heb geen enkel mes gezien. Buiten zeiden enkele mensen dat ik bloed op mijn shirt had".
Op bladzijde 040893 van het verhoor worden de aangever foto's van de verdachten van het onderzoek Sneep getoond. [betrokkene 6] herkent de mannen op de foto's (m.u.v. foto 2, 11 en 42) niet. Met andere woorden cliënt word door [betrokkene 6] niet herkend.
7 april 2007
In dit verhoor verklaart [betrokkene 6] dat [...] degene is dat hij kent als [betrokkene 8]
10 september 2007 bij de Rechter-commissaris
Ik was aan het internetten. Ik zag op een gegeven moment één man naar binnen lopen, toen kwamer er nog twee. Ik was daar samen met [betrokkene 8], zijn achternaam weet ik niet. Deze mannen kwamen op [betrokkene 8] toe. Ze zeiden: Kom op. Ze kwamen normaal lopend op ons af. Ik stond op en zag dat zij [betrokkene 8] sloegen. Ik wilde naar buiten gaan en blijkbaar ben ik toen gestoken met een mes. Ik voelde dat eerst niet maar buiten zeiden mensen bij de tram dat ik bloed had. Ik kende deze mensen niet... Toen ik in het ziekenhuis lag kwam een vriend van [betrokkene 8] bij mij langs. Hij zei dat hij een vriend van [betrokkene 8] was. Hij kwam meteen papierteje waarop namen stonden. [medeverdachtes] naam stond daarop, [verdachte] ’s naam stond erop met zijn adres en [betrokkene 10]... Ik heb niet gevoeld dat ik gestoken ben en ik heb het ook niet gezien".
Verklaring bij de RHC op 4 oktober 2011
Ik kende die mensen volgens mij niet. Ht zou kunnen dat ik l of 2 van hen ooit als klant in mijn taxi heb gehad. Er kwam op een gegeven moment een man naar mij toe met een briefje waarop namen stonden. Ik weet niet meer of die man kwam op het moment dat ik alleen in een kamer lag of dat ik toen al op de zaal lag. Die man was volgens mij een vriend van [betrokkene 11].
De verklaringen van deze man zijn volstrekt ongeloofwaardig en kunnen niet worden gebezigd tot het bewijs”.
7. Het Hof heeft het in het middel bedoelde standpunt als volgt samengevat en verworpen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)
Betrouwbaarheidsverweer
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 6] volstrekt ongeloofwaardig zijn en niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden.
Het hof verwerpt het verweer. Voor wat betreft de verklaringen van [betrokkene 6] overweegt het hof dat het uitgaat van zijn eerste twee verklaringen, te weten de verklaringen afgelegd op respectievelijk 12 en 27 mei 2006. Deze zijn gedetailleerd en kort na het incident afgelegd.
Ruim een jaar later, vanaf zijn verklaring van 27 augustus 2007 (13.20 uur) gaat [betrokkene 6] weliswaar anders verklaren, maar het hof hecht hier geen geloof aan, nu zich in het dossier diverse tapgesprekken bevinden die zijn gevoerd in de tussenliggende periode, op basis waarvan het hof het aannemelijk acht dat [betrokkene 6] is opgedragen zijn aangifte/belastende verklaring in te trekken.
Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn eerste twee afgelegde verklaringen en zal deze ook voor het bewijs bezigen.
Bewijsoverweging
(…)
Voor wat betreft [betrokkene 6] is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat het verdachte is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Dit blijkt uit de verklaring van [betrokkene 6]. Zoals eerder overwogen is weliswaar niet gebleken dat verdachte (en zijn medeverdachten) de winkel binnen is gegaan met het vooropgezette plan om het slachtoffer van het leven te beroven. Echter door met een mes, althans een scherp voorwerp, te steken in en/of rondom vitale onderdelen van het lichaam, heeft hij wel willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zodanig verwond zou worden dat hij aan dat letsel zou overlijden. Het hof is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Het hof acht bewezen dat verdachte zich voor wat betreft [betrokkene 6] schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag.”
8. Blijkens de aanvulling op het arrest heeft het Hof onder meer de inhoud van de volgende twee bewijsmiddelen voor het bewijs van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit gebezigd:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (ordner 53, p. 40880 en 40881), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als
verklaring van aangever [betrokkene 6], afgelegd op 12 mei 2006:
Ik zat te internetten in een belwinkel aan de [a-straat] in Amsterdam. Ik was daar samen met een man die ik ken als [betrokkene 8]. We gingen achter de computer zitten. Er kwam een vijftal gespierde jongens binnen. Ik zag dat die vijf gespierde mannen [betrokkene 8] begonnen te slaan. Ik ben direct richting de uitgang van de belwinkel gaan rennen. Voordat ik ging rennen ben ik door een van de vijf gespierde neergestoken. Ik voelde hevige pijn in mijn linkerzij en zag allemaal bloed op mijn broek. Ik heb twee van die vijf gespierde mannen eerder gezien in het wallengebied. Ik ben vroeger taxichauffeur geweest, vandaar dat ik ze van het wallengebied ken. Ze hebben auto's met Duitse kentekens, onder andere een Porsche Cayenne. Ik doe aangifte tegen die vijf gespierde mannen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (ordner 53, p. 40882-40884), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van aangever [betrokkene 6], afgelegd op 27 mei 2006:
Ik wil een aanvullende verklaring afleggen over de steekpartij, waarvan ik het slachtoffer ben geworden op 11 mei in de [a-straat] te Amsterdam.
Ik heb een steekwond opgelopen bij mijn nieren. Mijn nier is beschadigd.
Van de vijf mannen, ken ik er drie. Ik ben taxichauffeur geweest. Ik ken die mannen uit die tijd. De namen van de mannen zijn:
1.
[...], dat is de bijnaam van [verdachte]. Dat is de man die mij gestoken heeft.
2.
[medeverdachte].
(Opmerking verbalisant: We hebben wat foto's van de steekpartij. Kun je aanwijzen wie wie is?)
De man met de zwarte trui en de zwarte muts op zijn hoofd, met de baardgroei, is [medeverdachte].
De man met het rode shirt, die op een foto achter [medeverdachte] loopt, is [verdachte], de man die mij gestoken heeft.”.
9. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is sprake als het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De uitleg van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [2]
10. Gelet op de hierboven weergegeven bewijsoverweging heeft het Hof hetgeen namens verzoeker ter zake van de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever [betrokkene 6] is aangevoerd kennelijk aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van de wet. Daarin heeft het Hof in zoveel woorden en niet onbegrijpelijk uitgelegd waarom het, in weerwil van het standpunt van de verdediging, de op 12 en 27 mei 2006 afgelegde verklaringen van [betrokkene 6] wel voldoende betrouwbaar acht om deze deel te laten uitmaken van de bewijsvoering. Voor zover de klacht luidt dat het Hof heeft verzuimd daarbij de redenen voor zijn andersluidend oordeel op te geven, mist zij feitelijke grondslag.
11. Voorts heeft te gelden dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de vrijheid van de feitenrechter is overgelaten. Nu het Hof op niet onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de genoemde verklaringen van de aangever [betrokkene 6] voldoende betrouwbaar zijn, stond het hem vrij deze verklaringen voor het bewijs te gebruiken. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat die verklaringen, mede bezien in het licht van de overige gebezigde bewijsmiddelen, het bewijs dat het verzoeker is geweest die de aangever [betrokkene 6] heeft gestoken, kan dragen. Voorts meen ik dat de nadere motiveringplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv hier besloten ligt in de gebezigde, voor de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt relevante bewijsmiddelen en in de aanvullende bewijsoverweging van het Hof. [3]
11. Het middel faalt mitsdien.
12. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de onder 2 meest subsidiair ten laste gelegde poging tot medeplegen van zware mishandeling, nu daaruit niet kan volgen dat een NN-man van de daarin verweten handelingen het slachtoffer is.
13. Ten laste van verzoeker is onder 2 meest subsidiair bewezenverklaard dat hij:
“op 11 mei 2006 te Amsterdam in de gemeente Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, een NN-man, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk met een mes en/of puntig scherp voorwerp in het lichaam van die NN-man, gestoken en met kracht tegen het lichaam van die NN-man, geschopt en geslagen, tengevolge waarvan die NN-man, een (steek)wond in de (rechter)elleboog en een wond op het hoofd heeft bekomen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
14. In het bestreden arrest heeft het Hof het volgende overwogen:

Bewijsoverweging
Vast staat dat op 11 mei 2006 een groep van vier of vijf mannen de internetwinkel in de [a-straat] te Amsterdam binnen is gegaan, waarbij een tweetal personen, te weten [betrokkene 6] en een persoon zich noemend [betrokkene 8], is belaagd. [betrokkene 6] is geslagen en geschopt op het lichaam en in het gezicht en gestoken met een mes of een scherp voorwerp in de linkerzij. Hij heeft daardoor een steekwond in zijn linkernier opgelopen waardoor die linkernier beschadigd is geraakt, operatief ingrijpen noodzakelijk was en een ziekenhuisopname van dertien dagen is gevolgd. De persoon zich noemend [betrokkene 8] is geslagen en geschopt in het gezicht en tegen het lichaam en gestoken met een mes of scherp voorwerp. Hij heeft daarbij een hoofdwond van 10 centimeter en een wond op zijn elleboog van 5 centimeter opgelopen.
Naar het oordeel van het hof is verdachte één van de hiervoor genoemde vier of vijf mannen geweest. Het slachtoffer [betrokkene 6] heeft hem immers herkend van de afdrukken van de videoregistratie, die van de binnenkomst van de groep mannen en het geweldsincident door de in de winkel aanwezige beveiligingsapparatuur is gemaakt. Daarbij heeft hij ook verdachtes volledige naam genoemd. Ook het slachtoffer zich noemend [betrokkene 8] heeft de voornaam van verdachte genoemd.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat de groep mannen de internetwinkel is binnengegaan met het vooropgezette plan om [betrokkene 6] en [betrokkene 8] te doden. Op de beelden is te zien dat de voorste man even inhoudt en omkijkt op het moment dat hij heeft gezien dat achterin de L-vormige ruimte de beide genoemde personen zitten, waarna de hele groep gedecideerd op hen afmarcheert en hen te pakken neemt. Uit de omstandigheden dat de mannen op zo’n manier de winkel in groepsverband binnen gaan, rechtstreeks op hun doel afgaan, tegelijkertijd de twee slachtoffers schoppen en slaan, en minder dan een minuut na binnenkomst de internetwinkel weer als groep verlaten valt af te leiden dat de leden van de groep, onder wie verdachte, het vooropgezette plan hadden om - kort gezegd- geweld uit te oefenen. Uit het voorgaande volgt ook dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt.
Het letsel dat de persoon zich noemend [betrokkene 8] heeft opgelopen, valt niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van het Wetboek van Strafrecht aan te merken. Naar het oordeel van het hof valt uit de jegens hem verrichte handelingen niet het voorwaardelijk opzet op diens dood af te leiden. Wel zijn de gedragingen van de groep mannen, waarvan verdachte deel uitmaakte, te weten het slaan en schoppen op het lichaam en in het gezicht en het steken met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het lichaam, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
Het hof is daarom van oordeel dat tenminste sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof acht bewezen dat verdachte zich voor wat betreft dit slachtoffer samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan poging zware mishandeling.”.
15. Blijkens de aanvulling op het arrest heeft het Hof onder meer de inhoud van de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs van het onder 2 meest subsidiair tenlastegelegde feit gebezigd:
“4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (ordner 53, p. 40918-40919), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als
relaas vanverbalisant(en):
Naar aanleiding van een steekpartij welke op 11 mei 2006 had plaats gevonden in de [a-straat], begaven wij ons naar het St. Lucas Andreas Ziekenhuis alwaar een van de twee slachtoffers naartoe was gevoerd.
Het slachtoffer gaf ons op te zijn genaamd: [betrokkene 8], geboren [...]-[...]-1973.
[betrokkene 8] verklaarde dat hij vandaag met een vriend, genaamd [betrokkene 6], naar een internetcafé is gegaan. Toen hij daar mee bezig was, kwamen er plotseling een aantal mannen binnen. Mannen uit het "red light district".
[betrokkene 8] verklaarde een aantal van de mannen te herkennen en noemde de namen:
- [medeverdachte], een grote bodybuilder,
- [verdachte].
Wij zagen dat het slachtoffer [betrokkene 8] een rechtlijnige open wond had van ongeveer 5 centimer lang op zijn rechter ellenboog, welke door het medisch team onmiskenbaar werd herkend als een snijwond. Wij zagen op de linker bovenzijde van het hoofd van het slachtoffer een onregelmatig gevormde open wond van ongeveer 10 centimeter lang.
5. Een
schriftelijk bescheid(ordner 53, p. 40943), te weten een aanvraagformulier medische indicatie, inhoudende:
Verzoek om medische informatie over [betrokkene 8], geboortedatum: [...]-[...]-1973.
Die op 11-05-2006 betrokken is geweest bij: gewelddadig incident.
Medische informatie betreffende [betrokkene 8].
1. Omschrijving van het letsel.
Uitwendig waargenomen letsel: hoofdwond en wond onderarm - beiden gehecht.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (ordner 53, p. 40937-40938), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als
verklaring van getuige [betrokkene 12]:
Ik heb samen met een compagnon een telecommunicatiewinkel in de [a-straat 1] te Amsterdam.
11 mei 2006 omstreeks half drie/drie uur ben ik begonnen met werken in het filiaal in de [a-straat 1]. Ik was samen met mijn werknemer [betrokkene 13].
11 mei 2006 omstreeks 16.00 uur gebeurde er het volgende:
Op een gegeven moment kwamen er twee mannen binnen die op de computer schuin achter mij wilden werken, ik bedoel hiermee de computers die zijn genummerd 8, 9, 10 en 11. De twee mannen die zojuist waren binnen gekomen, waren nog geen twee minuten aan het computeren toen er een aantal mannen de winkel binnen kwamen. Volgens mij waren het vier of vijf mannen. De mannen liepen in versnelde pas naar de plaats waar de twee eerder binnen gekomen mannen waren gaan zitten. Ik zag dat deze vier of vijf mannen de twee in de hoek zittende mannen sloegen en stompten.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (ordner 53, p. 40933-40934), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als
verklaring van getuige [betrokkene 13]:
In perceel [a-straat 1] te Amsterdam is [A] gevestigd. Dit is een internet en belwinkel. Ik ben daar werkzaam als winkelmedewerker.
11 mei 2006 was ik ook aan het werk. Mijn baas was ook aanwezig in de winkel. Mijn baas heet [betrokkene 12].
Omstreeks 16.00 uur kwamen er twee klanten binnen. Deze twee mannen wilden een uur internetten. Ik heb dat voor ze geregeld en de mannen namen plaats achter computer met nummer 11 die achter in de winkel staat.
Kort nadat de twee mannen hadden plaats genomen achter computer 11 kwamen er vijf mannen de winkel binnen. Ik zag dat de mannen direct richting computer 11 liepen en op de twee mannen die daar zaten insloegen. Ik zag dat de mannen meerdere malen door de vijf mannen op het gezicht werden geslagen. Alle vijf de mannen sloegen op de twee mannen in.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (ordner 53, p. 40966-40967), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas vanverbalisant:
Op 11 mei 2006 omstreeks 15.57 uur werd bij de hulpdiensten melding gemaakt van een steekpartij in een bel/internet winkel aan de [a-straat 1] te Amsterdam.
Door collega's van de uniformpolitie is de videoband met daarop de beelden van de bewakingscamera's in de bel/internetwinkel in beslag genomen.
Ik stelde een onderzoek in naar de beelden.
Waarnemingen:
Te zien is dat slachtoffer 2 te 15:57:23 kans ziet weg te rennen.
Direct daarop volgend rennen de daders te 15:57:30 ook weg de winkel uit. Hierbij volgt D2 pas als laatste, eerst nadat hij slachtoffer 1 liggend op de grond nog tegen zijn hoofd en lichaam schopt.
9.
Schriftelijk bescheiden(ordner 53, p. 40970-40984), te weten de stills van de beelden van de bewakingscamera's in de bel/internetwinkel, waarop is te zien dat de voorste man even inhoudt en omkijkt op het moment dat hij heeft gezien dat achterin de L-vormige ruimte de beide mannen zitten, waarna de hele groep gedecideerd op hen afmarcheert en hen te pakken neemt, terwijl de mannen minder dan een minuut na binnenkomst de internetwinkel weer als groep verlaten.”.
16. Anders dan de steller van het middel ben ik van oordeel dat uit deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, waarbij ik tevens de hiervoor aangehaalde bewijsoverweging van het Hof betrek, wel degelijk blijkt dat een NN-man het slachtoffer is van de handelingen die verzoeker en zijn medeverdachten onder feit 2 meest subsidiair worden verweten. Het Hof heeft namelijk met betrekking tot dit feit overwogen dat op 11 mei 2006 twee personen ‘te grazen zijn genomen’ door de groep personen waarvan verzoeker deel uitmaakte. Het ene slachtoffer is [betrokkene 6]. Het andere slachtoffer is een persoon die zich blijkens de bewijsmiddelen 4 en 5 [betrokkene 8] noemde. Uit de hierboven weergegeven bewijsoverweging van het Hof – ik wijs op de zinsnede: “de persoon zich noemend [betrokkene 8]” – kan worden afgeleid dat het Hof kennelijk niet zeker is van de juistheid van de (opgegeven) persoonsgegevens van dit slachtoffer en daarom niet onbegrijpelijk veiligheidshalve ervoor kiest van een NN-slachtoffer te reppen. Overigens vermag ik het belang van dit middel bij cassatie niet in te zien, nu een nadere aanduiding van de naam van ditzelfde slachtoffer de inhoud en de aard van de bewezenverklaring te dezen niet anders maakt.
17. Het middel faalt.
18. De namens verzoeker voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.
19. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten van de raadsvrouw achterwege.
2.Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 205.
3.Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 (rov. 3.8.2 onder (i)).