ECLI:NL:PHR:2015:40

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2015
Publicatiedatum
4 februari 2015
Zaaknummer
14/02074
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 468.2 SvArt. 463 SvArt. 466.2 SvArt. 463.6 SvArt. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek medeplegen moord wegens authenticiteit brief

De aanvrager is onherroepelijk veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord. Een herzieningsverzoek werd ingediend op grond van een vermeende onjuiste authenticiteit van een brief van 17 september 2010, die volgens de aanvrager doorslaggevend was voor het oordeel van het hof over het ne bis in idem-beginsel.

De advocaat van de aanvrager kon slechts een niet-ondertekend exemplaar van de brief vinden, en de authenticiteit werd betwist vanwege het ontbreken van stempels en een afwijkend logo. De procureur-generaal heeft onderzoek gedaan en contact opgenomen met Bulgaarse autoriteiten, die bevestigden dat de brief authentiek is en afkomstig van officier van justitie Stefanov.

Op basis van deze bevestiging concludeert de procureur-generaal dat de feitelijke grondslag voor de herzieningsaanvraag ontbreekt, waardoor het verzoek ongegrond moet worden verklaard. De Hoge Raad hoeft niet te oordelen over de mogelijke gevolgen als de grondslag wel aanwezig zou zijn geweest.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard en de veroordeling blijft ongewijzigd.

Conclusie

Nr. 14/02074 H
Zitting: 13 januari 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. De aanvrager is onder parketnummer 21-04326-08 bij arrest van het Hof Arnhem van 16 december 2010 wegens ‘medeplegen van moord’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro. Dit arrest is onherroepelijk geworden. [1]
2. Namens de aanvrager heeft mr. M.M.J.A. Goris, advocaat te Almelo, een aanvraag tot herziening van dat arrest ingediend. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro kan als grondslag voor een herziening dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3. Volgens de aanvraag bestaat er een ernstig vermoeden dat het Hof indien het bekend zou zijn geweest met het gegeven dat een brief van 17 september 2010 niet afkomstig is van de Bulgaarse officier van justitie Stefanov het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard. De brief wordt op verschillende plaatsen in het arrest van het Hof vermeld. Volgens de aanvrager heeft de brief doorslaggevende betekenis voor het oordeel van het Hof dat er geen sprake was van schending van het beginsel van ne bis in idem (art. 54 SUO Pro).
4. In een brief van 28 augustus 2013 (bijlage II bij de aanvraag) schrijft Stefanov in antwoord op een brief van de veroordeelde van 20 augustus 2013 onder meer aan de veroordeelde: “De door u geciteerde ’brieven’ van het arrondissementsparket Sliven van 17-09-2010 in antwoord op de ‘brief’ uit Nederland van 18-08-2010 komen niet overeen met de werkelijkheid omdat een dergelijke brief uit het Koninkrijk der Nederlanden niet is ontvangen en derhalve niet beantwoord kon worden.“
5. Het aanzien van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken wordt geschaad indien er onduidelijkheid ontstaat of er door de Nederlandse strafrechter wel op goede grond is vertrouwd op door buitenlandse justitiële autoriteiten verschafte inlichtingen. Daarom is het van belang duidelijkheid te krijgen over een feitelijke kwestie te weten de bemoeienis van Stefanov met de brief van 17 september 2010.
6. In de aanvraag wordt meegedeeld dat de raadsvrouwe inspanningen heeft gedaan de originele brief van 17 september 2010 te achterhalen. Ze heeft daartoe bij het veroordelende gerechtshof het integrale strafdossier ingezien en trof slechts een niet getekend exemplaar van de brief aan. Door mij bij de voorzitter van de strafafdeling van het Hof ingewonnen inlichtingen hebben geen ander resultaat opgeleverd. Ik heb mij tot het Ressortsparket gewend en van die zijde is mij te kennen gegeven dat men nog beschikte over een kopie van de brief [2] waarop een handtekening zou kunnen worden ontwaard. Ik sluit bepaald niet uit dat er op de kopie een handtekening staat, maar de handtekening op de kopie is kennelijk ten gevolge van het veelvuldig kopiëren van het origineel niet of nauwelijks te onderscheiden.
7. Vervolgens heb ik mij gewend tot de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS). Mij is te kennen gegeven dat men aldaar beschikte over de brief van 17 september 2010 met een leesbare handtekening. [3] Vervolgens heb ik de Bulgaarse autoriteiten verzocht vragen te beantwoorden in hoofdzaak om zodoende te achterhalen of de van een handtekening voorziene brief inderdaad van de officier van justitie Stefanov afkomstig is. De handtekening zelf geeft daarover niet zonder meer uitsluitsel en bovendien wordt de authenticiteit van de brief in de aanvraag nog betwist in verband met het ontbreken van enige stempel en een (mogelijk) afwijkend logo. De brief van Stefanov van 28 augustus 2013 noopte tot het stellen van deze vragen.
8. Hoofdofficier van Justitie Stefanov heeft bij brief van 25 november 2014 als volgt geantwoord:
“1. De brief d.d. 28-08-2013 met inkomend Parketnummer 417/04 volgens het register van het Arrondissementsparket te Sliven is
van mijafkomstig en is geadresseerd aan [aanvrager] in beantwoording van een brief van hem ontvangen door het Arrondissementsparket te Sliven. Deze brief heeft een inkomend nr. 417/04 aangezien het een strafrechtelijk onderzoek betreft dat tegen [aanvrager] in Republiek Bulgarije liep.
2. Mijn brief d.d. 17-09-2010 betreft een ander dossier met Inkomend nr. 2280/09 dat n.a.v. de vraagstelling van het Ministerie van Justitie van Koninkrijk der Nederlanden is aangemaakt. Bij de beantwoording van de brief van [aanvrager] op 28-08-2013 had ik het antwoord dat drie jaar eerder betreffende een ander dossier was gegeven, niet in overweging kunnen nemen aangezien mijn brief d.d. 17-09-2010 door het Ministerie van Justitie niet toegevoegd was bij de stukken in de zaak [aanvrager].
3. Gelet op p. 2 van het onderhavige schrijven en gelet op het feit dat er in de brief van [aanvrager] aan mij niets concreets was genoemd met uitzondering van een datum 18-08-2010 betreffende een brief van “de Bulgaarse autoriteiten aan het Nederlandse Ministerie in Den Haag” en een antwoord d.d. 17-09-2010, heb ik [aanvrager] geantwoord dat de door hem geciteerde brieven van het Arrondissementsparket te Sliven d.d. 17-09-2010 niet overeenkomen met de werkelijkheid.
4. De brief d.d. 17-09-2010 in beantwoording van een vraagstelling van het Ministerie van Justitie van Koninkrijk der Nederlanden met inkomend nr. 2280/09 is van mij afkomstig.
5. De inhoud van de brief d.d. 17-09-2010 in beantwoording van een vraagstelling van het Ministerie van Justitie van Koninkrijk der Nederlanden met inkomend nr. 2280/09 is juist.”
9. Gelet op dit antwoord komt de feitelijke grondslag aan de aanvraag tot herziening te ontvallen. Dat betekent dat de aanvraag tot herziening ongegrond moet worden verklaard. Overigens komt het mij voor dat indien die feitelijke grondslag wel aanwezig zou zijn dat nog niet zonder meer behoeft te leiden tot de gegrondheid van de aanvraag tot herziening. Omdat ik meen dat de Hoge Raad aan deze vraag niet behoeft toe te komen laat ik dit verder buiten beschouwing.
10. Deze conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de herzieningsaanvraag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het beroep in cassatie werd op 6 november 2011 verworpen (11/03844). De Hoge Raad verminderde de straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn tot 12 jaren en zes maanden.
2.De kopie van de brief is als bijlage I aan deze conclusie gehecht.
3.Een kopie van de brief is als bijlage II aan deze conclusie gehecht.