ECLI:NL:PHR:2015:385

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
13/02984
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 11 Landsverordening melding ongebruikelijke transactiesArt. 23 lid 2 Landsverordening melding ongebruikelijke transacties
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

In deze zaak betreft het een cassatieprocedure tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte werd vrijgesproken van de primaire tenlastelegging en veroordeeld tot een geldboete wegens overtreding van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties. Zowel het Openbaar Ministerie als verdachte hebben cassatieberoep ingesteld.

Het Openbaar Ministerie heeft het beroep in cassatie ingesteld op 6 december 2012, met een aanzegging op 5 juli 2013. Volgens artikel 437, eerste lid, Sv moet binnen een maand na deze aanzegging een schriftuur houdende middelen worden ingediend. Dit is niet gebeurd, waardoor het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Verdachte heeft op 11 december 2012 cassatieberoep ingesteld, met aanzegging op 16 november 2013. Artikel 437, tweede lid, Sv vereist binnen twee maanden na deze aanzegging een schriftuur houdende middelen. Ook dit is niet gebeurd, waardoor verdachte eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad is derhalve dat zowel het Openbaar Ministerie als verdachte niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun cassatieberoepen wegens het niet tijdig indienen van de vereiste schrifturen met middelen van cassatie.

Uitkomst: Zowel het Openbaar Ministerie als verdachte worden niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoepen wegens het niet tijdig indienen van schrifturen met middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 13/02984 A
Zitting: 10 maart 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij vonnis van 28 november 2012 verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 impliciet primair tenlastegelegde en hem wegens 2 impliciet subsidiair “Overtreding van het bepaalde in artikel 11 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, zoals strafbaar gesteld in artikel 23 lid 2 van Pro deze Landsverordening, begaan door een rechtspersoon, aan welke verboden gedraging hij feitelijk leiding heeft gegeven”, veroordeeld tot een geldboete van NAF 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (13/02982 A), [medeverdachte 2] (13/02983 A) en [medeverdachte 3] (13/02985 A) waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. T.H.W. Stein, advocaat-generaal te Sint-Maarten, op 6 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 5 juli 2013 verzonden. Art. 437, eerste lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een maand na verzending van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door het Openbaar Ministerie een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, eerste lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Namens verdachte heeft mr. R. Stomp, advocaat te Sint-Maarten, op 11 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 16 november 2013 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG