Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”.
middelklaagt dat deze beslissing berust op een onjuiste rechtsopvatting, althans dat zij niet naar behoren met redenen is omkleed. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Primair wordt aangevoerd dat het causale verband ontbreekt tussen het vormverzuim en het door het hof uitgesloten bewijs. Subsidiair betrekt het middel de stelling dat het oordeel van het hof dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
NJ1999, 387, waaruit volgt dat ook al is er geen sprake van een geldige machtiging, dit nog niet de binnentreding in de woning onrechtmatig maakt. Verdachte is door een dergelijke handelwijze niet in zijn verdediging geschaad.
NJ1999/387 [1] al opmerkte, ‘wil een verzuim om op de machtiging tot binnentreden de namen van de aanhoudende verbalisanten te vermelden, nog niet zeggen dat zij niet gemachtigd waren binnen te treden’. Zo is het meen ik ook hier: toegegeven dat de handelwijze van het OM ‘geen schoonheidsprijs verdient’, de door het hof vastgestelde (en overigens ook door het OM erkende) onregelmatigheden bij het opmaken van de machtiging regarderen niet de vereiste voorafgaande inhoudelijke toets door een (bevoegde) (hulp)officier van justitie. Deze toets, zo kan uit het voorgaande worden afgeleid, heeft wel degelijk plaatsgehad. Ik sluit weer aan bij de woorden van Machielse [2] :
inclusionary rule’ die onder de noemer van ‘inevitable discovery’ door het leven gaat. Een dergelijke toets propageert de Hoge Raad m.i. ook in het bekende arrest van 19 februari 2013, met dien verstande dat de Hoge Raad deze toets daarin plaatst in de sleutel van de ernst van het vormverzuim. [5] Wanneer we - in een gedachtenexperiment - het vormverzuim wegdenken, moet dan daaruit noodzakelijkerwijs volgen dat de hennep niet zou zijn ontdekt? In andere woorden: wanneer er was binnengetreden met een
tevoren volledig en alleen door de hulpofficier van justitie ingevulde machtiging, zou de hennep dan niet zijn aangetroffen door de binnentredende politieambtenaren? Dat lijkt mij op het eerste gezicht hoogst onwaarschijnlijk. Hieruit volgt m.i. dat het - impliciete - oordeel van het hof dat de hennep is ontdekt als rechtstreeks gevolg van de gebrekkige machtiging, niet zonder meer begrijpelijk is.
omdat niet meer is vast te stellen op grond waarvan en door wie de machtiging tot binnentreden in zijn woning is verleend’. Ook hier kan ik het hof niet volgen. Uit het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde requisitoir, in combinatie met het aldaar overgelegde proces-verbaal van bevindingen, komt immers naar voren wat de grondslag van de machtiging tot binnentreden is geweest: ‘een meer dan redelijk vermoeden van schuld aan een overtreding van de Opiumwet’. [7] Eveneens kan hieruit worden afgeleid dat het de hulpofficier van justitie Romme is geweest die – na een inhoudelijke toetsing – de machtiging heeft afgegeven. [8] Dat er meer machtigingen tegelijkertijd zijn afgegeven, doet hieraan niets af. Immers, alle dossiers – ook die behorende bij de woning van de verdachte – zijn aan een inhoudelijke toets onderworpen. Mitsdien kan niet zonder meer worden volgehouden dat niet (meer) herleidbaar is of er wel een grond tot binnentreden was, wat die grond dan is geweest en wie de machtiging heeft afgegeven. Opmerking verdient nog dat was een en ander inderdaad niet meer herleidbaar geweest, zulks nog altijd niet automatisch had meegebracht dat de afweging in het voordeel van de verdachte had moeten uitvallen. Tegen de achtergrond van HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308 begrijp ik - met de steller van het middel - niet waarom de (vermeende) inbreuk op het huisrecht van de verdachte zijn recht op een eerlijk proces heeft aangetast op een dusdanig ernstige wijze dat de aangetroffen hennep niet tot bewijs mocht strekken. [9] Ook in zoverre kan ’s hofs motivering het oordeel dat de aangetroffen hennep van het bewijs moet worden uitgesloten, niet dragen.