Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatieberoep
- i) de Uitkering en de boeking daarvan in de rekening-courant tussen Gevi Gorssel en Gevi International worden genegeerd bij de beantwoording van de vraag of Gevi Gorssel een (opeisbare) vordering op Gevi International heeft (rov. 2.8, eerste en tweede alinea van het bestreden arrest);
- ii) uit een beoordeling van de overige in geschil zijnde rekening-courant posten en andere kosten volgt dat Gevi Gorssel een aanzienlijke vordering op Gevi International heeft (rov. 2.8, derde alinea).
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over art. 42 Fw Pro omdat de Uitkering en de Agiostorting afzonderlijke rechtshandelingen zijn en de Uitkering niet door vernietiging van de Agiostorting in het Pauliana-vonnis wordt aangetast. In verband hiermee betoogt
subonderdeel 1.3dat het hof miskend heeft dat de subjectief-relatieve werking van de vernietiging op grond van de faillissementspauliana meebrengt dat alleen de curatoren in het faillissement van EC Holding – en niet de curatoren van Gevi Gorssel – een beroep op de vernietiging van de Agiostorting kunnen doen.
Subonderdeel 1.2veronderstelt dat geen van partijen heeft aangevoerd dat Gevi Gorssel zonder de Agiostorting niet over enige agioreserve ten laste waarvan de Uitkering gedaan kon worden en poneert twee klachten: de hiervoor genoemde kernoverweging zou onbegrijpelijk zijn en bovendien zou het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden.
feitelijkniet meer in staat was de Uitkering aan Gevi International te doen. Het hof overweegt immers dat zonder de agiostorting Gevi Gorssel niet beschikte over vermogen ten laste waarvan de uitkering kan worden gedaan. Waar feitelijk geen vermogen is, kan niet worden uitgekeerd. Dit begrijpelijke feitelijke oordeel van het hof is in cassatie niet bestreden.
subonderdeel 4.6. Dit subonderdeel klaagt eveneens, maar dan ten aanzien van de door Gevi Gorssel gestelde personeelskosten, dat het hof niet ambtshalve stellingen uit de door Gevi Gorssel ingediende producties mag destilleren en alleen rekening mag houden met stellingen die door een procespartij in de processtukken zelf zijn ingenomen. Gevi Gorssel heeft in haar verweerschrift van 9 september 2014 als productie E een bericht van [betrokkene 1] overgelegd, alsmede een overzicht van de aan- en verkopen van paarden door Gevi International, en in dat verband gesteld dat daaruit blijkt dat zeven mensen bij Gevi Gorssel in dienst zijn geweest die het ook druk hadden met de paardenhandel bij Gevi International en het voeren/aansturen van procedures bij die vennootschap, zodat 25% van de kosten aan Gevi International toegerekend moeten worden (randnummer 20, p. 8-9). Feitelijk onjuist is dus de veronderstelling dat het hof ambtshalve stellingen uit de door Gevi Gorssel ingediende producties heeft gedestilleerd. Overigens behoefde het hof niet uitdrukkelijk aan te geven op welke wijze hij de inhoud van de overgelegde producties in zijn oordeel heeft betrokken (vgl. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2515, NJ 1998/167).
vijfde en laatste onderdeelponeert dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het beroep dat Gevi International in haar beroepschrift van 10 juni 2014 onder randnummers 8 en 10 zou hebben gedaan op misbruik van bevoegdheid. Ook bij welwillende lezing van dit processtuk kan ik daarin niet een beroep op misbruik van bevoegdheid ontwaren. Daarop stuit het onderdeel af.