ECLI:NL:PHR:2015:2688

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
19 februari 2016
Zaaknummer
15/05299
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-naleving sollicitatie- en informatieplicht

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 3 augustus 2015 de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd omdat verzoeker zijn verplichtingen niet nakwam. Dit vonnis is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 november 2015 bekrachtigd, waarbij werd vastgesteld dat verzoeker vanaf 27 september 2014 niet voldeed aan de sollicitatie- en informatieplicht.

Het hof erkende de impact van de autisme-diagnose van de jongste zoon van verzoeker, maar oordeelde dat dit geen rechtvaardiging bood om de verplichtingen niet na te komen. Verzoeker had de rechter-commissaris kunnen verzoeken om ontheffing, maar deed dit niet. Tevens verscheen verzoeker niet op afspraken met een werkcoach.

Verzoeker kwam in cassatie met het argument dat zijn persoonlijke omstandigheden de niet-naleving niet verwijtbaar maakten en dat de bewindvoerder tekort was geschoten. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat van schuldenaren mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspannen om aan hun verplichtingen te voldoen. Het hof had de persoonlijke omstandigheden voldoende meegewogen en de door verzoeker overgelegde sollicitatiebewijzen onvoldoende geacht.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten in cassatie niet tot vernietiging leiden en bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-naleving van de sollicitatie- en informatieplicht.

Conclusie

15/05299
Mr. L. Timmerman
Zitting 18 december 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
(hierna: ‘[verzoeker]’),
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 3 augustus 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling met ingang van één maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis op grond van artikel 350 lid 3 sub c van Pro de Faillissementswet (Fw) beëindigd omdat [verzoeker] zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen.
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 9 november 2015. Het hof heeft daartoe overwogen dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in zowel de sollicitatieverplichting als de informatieverplichting. Het hof stelt vast dat er na het telefonisch contact op 4 december 2014 geen contact meer tussen [verzoeker] en de bewindvoerder heeft plaatsgevonden. Verder stelt het hof vast dat [verzoeker] gedurende een substantiële periode, namelijk vanaf 27 september 2014, niet heeft voldaan aan de verplichting om bewijzen van ten minste één sollicitatie per week aan de bewindvoerder te doen toekomen. Het hof neemt aan dat de mededeling dat de jongste zoon van [verzoeker] autisme heeft impact heeft gehad op zijn gemoedstoestand, maar overweegt dat dit niet rechtvaardigt dat hij zijn sollicitatieverplichting en informatieverplichting gedurende een zo lange periode niet is nagekomen. Indien [verzoeker] door zijn emoties en het ingezette traject ten behoeve van zijn zoon zo zeer in beslag werd genomen dat hij niet in staat was om te solliciteren, had hij de rechter-commissaris kunnen verzoeken om hem (tijdelijk) van deze plicht te ontheffen. Nu hij dit niet heeft gedaan, had hij naar het oordeel van het hof zonder onderbreking moeten solliciteren naar fulltime betaald werk. Voorts heeft het hof overwogen dat [verzoeker] enkele maanden na toelating tot de schuldsaneringsregeling is uitgenodigd door een werkcoach van de gemeente om te worden begeleid bij het verkrijgen van betaald werk, maar dat [verzoeker] op geen van de met hem gemaakte afspraken (vier in totaal) is verschenen. Het hof is op grond daarvan van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd. Het hof heeft ten slotte overwogen geen aanleiding te zien om de duur van de regeling te verlengen. Daarvoor is volgens het hof vereist dat er ten minste enig vertrouwen aanwezig moet zijn dat de verplichtingen zullen worden nagekomen, hetgeen in dit geval ontbreekt.
3. [verzoeker] is van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. Het cassatiemiddel komt er kort gezegd op neer dat het feit dat [verzoeker] zijn sollicitatie- en informatieverplichting niet is nagekomen onder deze omstandigheden niet verwijtbaar is. Betoogd wordt dat [verzoeker] zich plotseling geplaatst zag voor een situatie waarin zijn zoon onhandelbaar bleek en waarop de diagnose van autisme volgde. [verzoeker] was hierdoor niet in staat om te solliciteren en heeft aan de bewindvoerder gevraagd om hem daarvan vrij te stellen. De bewindvoerder weigerde daaraan te voldoen waardoor sprake is van falen aan de zijde van de bewindvoerder. Hierdoor is het contact tussen [verzoeker] en de bewindvoerder verwaterd.
4. Het middel heeft m.i. geen kans van slagen. Van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (art. 350 lid 3 onder Pro c Fw). Van de schuldenaar wordt dan ook verwacht dat hij zich zoveel mogelijk inspant om inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. Het is vaste jurisprudentie dat het niet nakomen van deze verplichting tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan leiden. [1] Het hof is uitvoerig ingegaan op de door [verzoeker] gestelde persoonlijke omstandigheden en heeft geoordeeld dat deze niet met zich brengen dat het niet naleven van de sollicitatie- en informatieverplichting niet aan [verzoeker] kan worden toegeworpen. Het betreft hier een oordeel van feitelijke aard waarover in cassatie niet kan worden geklaagd. Ik acht de door het hof gegeven motivering niet toereikend en ook niet onbegrijpelijk. [verzoeker] heeft aan het slot van het middel nog betoogd dat het hof de voor de zitting door [verzoeker] overgelegde sollicitaties ten onrechte niet in de beoordeling heeft meegenomen. Deze stelling mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de door [verzoeker] overgelegde kopieën immers wel meegenomen, maar geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat [verzoeker] op de voorgeschreven wijze heeft gesolliciteerd omdat het slechts kopieën van visitekaartjes en website adressen betreffen, zonder dat blijkt wanneer en met wie [verzoeker] contact heeft gehad. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
5. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie o.a.: HR 10 september 2010, LJN: BM7809; HR 22 december 2009, LJN: BK3576; HR 27 november 2009, LJN: BJ9941, RvdW 2009, 1416; HR 30 oktober 2009, LJN: BJ7840, RvdW 2009, 1276 en HR 11 juli 2008, LJN: BD3132, RvdW 2008, 745.