III. Waardering door het hof
Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne.
Het ontstaan van de symptomen moet zo kort na het “schudincident” hebben plaatsgevonden, dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die zijn zoon [betrokkene 1] zo krachtig heen en weer heeft geschud dat hij als gevolg daarvan is overleden.
Naar het oordeel van het hof kan het op basis van diezelfde conclusies ook niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die [betrokkene 2] zo krachtig heen en weer heeft geschud dat zij aan de gevolgen daarvan had kunnen overlijden.
Het was immers verdachte die in beide zaken vlak voor en op het moment van het intreden van de acute noodsituatie met de baby alleen was.
Dat in een aantal rapporten door deskundigen, die het letsel (al dan niet uitsluitend op foto’s) hebben bekeken, wordt aangegeven dat achteraf bezien het exacte moment van het ontstaan van het letsel niet kan worden vastgesteld, omdat daarbij sprake is van een marge in tijd, doet aan het bovenstaande niet af. Die bevindingen hebben immers louter betrekking op het toestandsbeeld van het letsel ten tijde van het pathologisch of medisch onderzoek, terwijl bij de vraag of het verdachte is geweest die zijn beide kinderen krachtig door elkaar heeft geschud ook de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit overige bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaringen, zijn betrokken.”
7. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat verdachte degene is geweest die beide baby’s heen en weer heeft geschud als gevolg waarvan [betrokkene 1] is overleden en [betrokkene 2] ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Daarbij wil ik met name wijzen op bewijsmiddel 11, de verklaring van [betrokkene 3] , dat door het hof is gebruikt bij de bewezenverklaring ten aanzien van [betrokkene 1] :
“Het als bijlage bij het stamproces-verbaal (Bunderbos I) van 26 november 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk wachtmeester der eerste klasse en wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, district Noord-Oost, brigade Recherche & Informatie, opgemaakte proces-verbaal van 8 november 2012 (dossierpagina 1197 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:
A: Ik was gebeld met het feit dat er een jonge zuigeling in ernstige conditie op de shockroom lag. (....)
In mijn anamnesegesprek heb ik vader gevraagd hoe de uren voorafgaand aan de presentatie verlopen zijn. Vader vertelde chronologisch hoe de middag, waarin hij de zorg had voor [betrokkene 1] , verlopen was. Waarbij hij vermeldde dat [betrokkene 1] , nadat hij gedronken en geslapen had, ook een periode hard gehuild had. En dat het vader meestal niet lukt om [betrokkene 1] te troosten. Op mijn vraag wat vader doet op het moment dat [betrokkene 1] huilt, om hem te troosten, vertelt vader aan mij dat hij [betrokkene 1] dan schudt.
V : De volgende vraag is welke uitlatingen de vader heeft gedaan over schudden. Kunt u zich dat nog herinneren?
A: In zeg maar deze doorvragen van mij, zo specifiek naar het schudden, richt de vader de vraag aan mij, uit vader naar mij: “Nu ben ik bang dat ik hem te hard geschud heb”. (...)
A: Op het moment dat vader op mijn vraag van “Wat doe je dan als hij zo huilt?” hij had ook al gezegd, moeder lukt het meestal wel om te troosten en hem niet. “Wat doe je dan als [betrokkene 1] zo huilt?” En toen gaf hij aan: “dan schud ik hem”. Waarop ik zei: “Maar hoe schud je dan?” Ja, gewoon schudden. “Kun je voordoen hoe je hem dan vast hebt, hoe doe je dat dan?” Op dat moment liet hij zien dat hij dat zo deed en ik ben er niet verder op doorgegaan, maar was wel vaders volgende reactie naar mij toe: “Nu ben ik bang dat ik te hard geschud heb”.
V: Wie begon als eerste over schudden? A: Vader noemde als eerste het woord schudden. Naar aanleiding van mijn vraag over wat hij doet om [betrokkene 1] te troosten.”
Voor de bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte bij het veroorzaken van hersenletsel bij [betrokkene 2] , wijs ik op het door het hof gebezigde bewijsmiddel 19:
“19.
De door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting van de militaire kamer van de rechtbank van 16 juni 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijdstippen weet ik niet meer. Op 10 september zijn we in de ochtend opgestaan. [betrokkene 4] of ik heeft [betrokkene 2] te eten gegeven. We moesten die dag nog weg en hebben op de bank tv zitten kijken tot [betrokkene 4] ging douchen. [betrokkene 2] lag toen in de reiswieg in de box. Toen [betrokkene 4] aan het douchen was, begon [betrokkene 2] wakker te worden. Ik zou [betrokkene 2] , als [betrokkene 4] klaar was met douchen, naar boven brengen. Toen [betrokkene 4] mij riep, was [betrokkene 2] al wakker en zij huilde. Ik wiegde haar maar zij strekte haar armen. Ik dacht toen gelijk dat het niet goed was en ben naar boven gerend.”
8. Mede gelet op voormelde bewijsmiddelen, die moeten worden bezien in samenhang met de overige gebruikte bewijsmiddelen is het niet onbegrijpelijke dat en waarom het hof voorbij is gegaan aan het betoog van de verdediging dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het letsel aan de kinderen heeft toegebracht, omdat niet zou kunnen worden vastgesteld wanneer dat letsel precies is ontstaan. Het feit dat, zoals in de toelichting op het middel met verwijzing naar twee arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt gesteld, soortgelijke overwegingen in vergelijkbare zaken tot een ander oordeel hebben geleid maakt dat niet anders. Daaruit volgt immers niet dat in casu sprake is van een verkeerde toepassing van het recht of van rechtsongelijkheid zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld. De vaststelling van het hof hangt immers af van de aan het hof als feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal in de zaak van verdachte. Daar komt bij, dat niet is gesteld of gebleken dat in de jurisprudentie waarnaar wordt verwezen de feiten hetzelfde waren als de vastgestelde feiten in de onderhavige zaak. Daarom is er geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting of (ongerechtvaardigde) rechtsongelijkheid.
9. Anders dan de steller van het middel meen ik verder dat het hof zijn oordeel mede heeft kunnen baseren op de bevindingen en conclusies van de deskundigen Karst en Banaschak, en dat het voldoende en niet onbegrijpelijk uiteen heeft gezet waarom het voorbij is gegaan aan de rapporten van andere deskundigen (kennelijk de deskundigen Van Rijn, Verdijk en Kubat). Nu de stelling dat dat oordeel van het hof is gebaseerd op een onjuiste opvatting en ontoereikend is gemotiveerd bovendien niet nader is toegelicht of onderbouwd, kan die klacht niet tot cassatie leiden.
10. De klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat verklaringen van getuigen bijdragen aan zijn oordeel dat verdachte degene is geweest die de kinderen krachtig door elkaar heeft geschud, nu die getuigen slechts hebben verklaard over de gezondheidstoestand van de kinderen vanuit hun perfectief (TS: bedoeld is kennelijk: perspectief) kan ik niet volgen. Om tot bewijs te kunnen dienen behoort een getuigenverklaring immers in te houden wat een getuige zelf heeft waargenomen en/of ervaren. De klacht dat daaromtrent door de verdediging gevoerde verweren op onjuiste, ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden zijn verworpen faalt ook, alleen al vanwege het feit dat niet is aangegeven op welke verweren wordt gedoeld, noch waarom de verwerping daarvan ontoereikend is.
11. Het middel faalt in al zijn onderdelen en is evident kansloos. Daarom kan het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet ontvankelijk worden verklaard. Gelet op de ernst van de zaak leek het mij toch goed uiteen te zetten waarom ik van mening ben dat dit het geval is.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden