Conclusie
“akte de command executieveiling”van 23 februari 2011 heeft [betrokkene 6] de koop van het voortdurend recht van erfpacht aanvaard.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
in ieder geval heb ik met haar niet over de vergoeding daarvan gesproken (cursivering mr. Gonesh).”
“dat [verweerster] bij het sluiten van de overeenkomst tot betaling van € 15.000,-- namens een ander gehandeld zou hebben”. Dit kan ik echter noch uit het middel, noch uit de daarop in de cassatiedagvaarding gegeven toelichting afleiden [2] .
“blijkt”uit
“de processtukken”(in welk verband het middel overigens niet naar vindplaatsen in de processtukken verwijst [4] ), kan ik niet volgen. Dat die overeenkomst is gesloten, heeft [verweerster] betwist [5] , terwijl het hof het bestaan van die overeenkomst in het midden heeft gelaten (zie onder meer rov. 3.10:
“(…) ook indien de gestelde overeenkomst met [verweerster] zou zijn gesloten (…)”).
“nu het Hof wel uit is gegaan van een afspraak inzake de betaling van € 15.000,--”, er reden temeer bestond te onderzoeken of [verweerster] al dan niet namens zichzelf is opgetreden. Dat het hof van de bedoelde afspraak is uitgegaan, is echter onjuist (het hof heeft het bestaan van de bedoelde afspraak immers in het midden gelaten) en zou bovendien niet tot de hiervoor bedoelde hypothetische feitelijke grondslag leiden. Overigens meen ik dat de door [verweerster] ter adstructie van haar primaire standpunt betrokken stelling dat zij de kwestie van de bedoelde kosten niet met haar opdrachtgeefster heeft besproken, bij verwerping van dat primaire standpunt en geheel los van de context daarvan niet zonder meer ten grondslag kan worden gelegd aan het oordeel dat [verweerster] zichzelf ter zake van die kosten heeft willen binden [6] . Dat geldt temeer nu (i) het in de gedachtegang van het hof kennelijk vooral aankomt op hetgeen [betrokkene 5], die namens [eiser] met [verweerster] over de bedoelde kosten zou zijn overeengekomen, omtrent de positie van [verweerster] heeft mogen begrijpen, (ii) de contacten tussen [verweerster] en haar opdrachtgeefster zich aan de waarneming van [betrokkene 5] (en van andere derden) hebben onttrokken en (iii) het hof bovendien heeft vastgesteld dat uit de getuigenverklaring van [betrokkene 5] volgt dat [betrokkene 5] heeft begrepen dat de volgens hem tot stand gekomen (kosten)afspraak door [verweerster] namens een opdrachtgever werd gemaakt (rov. 3.8, p. 3/4).