ECLI:NL:PHR:2015:2129
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping verzoek schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw
De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees het verzoek van verzoeker tot toepassing van de schuldsanering van haar schulden af omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof Den Bosch bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Verzoeker kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad.
Het eerste cassatiemiddel betrof de stelling dat verzoeker wel te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden. De Hoge Raad verwijst naar het bestreden arrest waarin het hof op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet als te goeder trouw kan worden beschouwd. Het tweede middel betrof de bewering dat de toepassing van de wettelijke toegang tot de schuldsaneringsregeling door het hof neerkomt op een onmenselijke behandeling, maar de Hoge Raad oordeelt dat het hof de wet correct heeft toegepast.
Het derde cassatiemiddel richtte zich op de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, waarbij verzoeker stelde dat een verklaring van de huisarts dat zij haar psychosociale problemen beheerst voldoende zou moeten zijn. De Hoge Raad acht het niet onbegrijpelijk dat het hof de brief van de huisarts onvoldoende vond om te concluderen dat verzoeker haar psychosociale problemen duurzaam beheerst.
Alle cassatiemiddelen worden ongegrond verklaard en het cassatieverzoek wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt verworpen en het verzoek tot schuldsanering afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.