ECLI:NL:PHR:2015:2129

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2015
Publicatiedatum
20 oktober 2015
Zaaknummer
15/02852
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 aanhef en onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping verzoek schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw

De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees het verzoek van verzoeker tot toepassing van de schuldsanering van haar schulden af omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof Den Bosch bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Verzoeker kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad.

Het eerste cassatiemiddel betrof de stelling dat verzoeker wel te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden. De Hoge Raad verwijst naar het bestreden arrest waarin het hof op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet als te goeder trouw kan worden beschouwd. Het tweede middel betrof de bewering dat de toepassing van de wettelijke toegang tot de schuldsaneringsregeling door het hof neerkomt op een onmenselijke behandeling, maar de Hoge Raad oordeelt dat het hof de wet correct heeft toegepast.

Het derde cassatiemiddel richtte zich op de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, waarbij verzoeker stelde dat een verklaring van de huisarts dat zij haar psychosociale problemen beheerst voldoende zou moeten zijn. De Hoge Raad acht het niet onbegrijpelijk dat het hof de brief van de huisarts onvoldoende vond om te concluderen dat verzoeker haar psychosociale problemen duurzaam beheerst.

Alle cassatiemiddelen worden ongegrond verklaard en het cassatieverzoek wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt verworpen en het verzoek tot schuldsanering afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.

Conclusie

15/02852
Mr. L. Timmerman
Parket, 28 augustus 2015
Conclusie inzake
[verzoeker]
(verzoeker tot cassatie)
1. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsanering bij vonnis van 16 april 2015 afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijfjaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsanering is ingediend te goeder trouw is geweest.
2. Het hof Den Bosch heeft bij arrest van 18 juni 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3. [verzoeker] is op 24 juni 2015 in cassatie gekomen.
4. Het eerste cassatiemiddel komt erop neer dat gesteld wordt dat [verzoeker] wel te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van haar schulden. Ik verwijs naar rov. 3.5.4. van het bestreden arrest waarin het hof op juiste wijze uiteenzet waarom [verzoeker] geacht moet worden niet te goeder trouw te zijn ten aanzien van het ontstaan van haar schulden. Het tweede onderdeel voert aan dat de wijze waarop de wettelijke toegang tot schuldsaneringsregeling door het hof wordt toegepast neerkomt op een onmenselijke behandeling van [verzoeker]. Naar mijn mening heeft het hof aan art. 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw overeenkomstig de bedoeling van de wetgever uitvoering gegeven. Het derde cassatiemiddel houdt in dat voor de toepassing van de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro een verklaring van de huisarts dat betrokkene haar psychosociale problemen beheerst voldoende is. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof in de brief van de huisarts van 12 mei 2015 onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat [verzoeker] haar psychosociale problemen duurzaam beheerst. Alle middelen zijn mijns inziens ongegrond.
5. Ik concludeer tot verwerping van het cassatieverzoek.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden