Conclusie
eerste middel– dat klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de keuze voor het opleggen van een gevangenisstraf hebben geleid – kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers niet volstaan met de standaardzin met betrekking tot de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte en een omschrijving van de impact van de feiten, maar ook overwogen dat het bij het bepalen van de straf acht heeft geslagen op het reclasseringsadvies en de inhoud van het e-mailbericht van de reclasseringswerker. Bij de gedingstukken bevindt zich het reclasseringsadvies van [betrokkene 1] van 30 mei 2013, waaruit blijkt dat geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen (onder punt 7) en in het e-mailbericht van 8 oktober 2013 bericht [betrokkene 2], reclasseringswerker, dat dit advies nog steeds actueel en adequaat is
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.
b. Als in een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend, het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn.
b. Wanneer de verdachte en/of diens raadsman daar niet zijn verschenen maar de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.
In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd”.
derde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.