Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Share Purchase and Subscription Agreement(hierna: SPA) waarbij KD 70% van haar aandelen in AC en Vibsus aan Euromedic verkocht.
Shareholders Agreement(hierna: SHA) tussen KD en Euromedic.
Consulting Agreement -ook wel
Management ServicesAgreement genoemd
–tussen enerzijds KD als ‘consultant’ en anderzijds AC en Vibsus.
Employment Agreementtussen enerzijds [betrokkene 1] en anderzijds Laurus Medical Srl en Laurus Management Srl.
( [3] )as specified in the Purchase Agreement directly or indirectly. (...)”
Term and Termination(...)
RE: Termination Of Consulting/Management Service & Employment Agreements
RE: Exercise of Put option
( [4] )Bij conclusie van antwoord heeft Euromedic niet alleen tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd, maar tevens haar standpunt in cassatie schriftelijk toegelicht. KD heeft niet een aparte schriftelijke toelichting genomen maar wel nog gerepliceerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [5] )Komt de voorzieningenrechter de zaak niet geschikt voor om in kort geding te worden beslist, dan kan hij, zo volgt uit artikel 256 Rv Pro, de verlangde voorziening weigeren. Daartoe kan hij bijvoorbeeld beslissen wanneer binnen het kader van het kort geding er niet voldoende klaarheid omtrent de bij het geschil spelende feiten kan worden verkregen. Van deze bevoegdheid mag de voorzieningenrechter ambtshalve gebruik maken, maar de klemmendheid van de belangen over en weer en de voor de verkrijging van klaarheid geboden tijd en inspanning dienen bij de uitoefening van deze bevoegdheid te worden meegewogen. Deze factoren kunnen aanleiding geven om de beslissing tot gebruik maken van de bevoegdheid onvoldoende gemotiveerd te achten.
( [6] )
( [7] )In rov. 3.3.5, eerste volzin, merkt het hof op dat KD in hoger beroep nog heeft aangevoerd dat haar belang bij de gevraagde voorzieningen wel spoedeisend was, omdat ten tijde van de zitting in eerste aanleg inmiddels bijna een jaar was verstreken na de brief van 6 juni 2012, terwijl KD in elk geval vanaf oktober 2012 niet meer bij de gang van zaken in de vennootschap betrokken was. Het hof onderzoekt ten aanzien van beide redenen of zij tot de conclusie leiden dat KD een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot medewerking van Euromedic aan de overdracht van de aandelen en tot betaling door haar van € 1.000.000,-.
subonderdelen 1.1 en 1.2niet ten onrechte er van wordt uitgegaan dat bij de beoordeling of een eisende partij een spoedeisend belang heeft, een afweging van de belangen van de betrokken partijen dient plaats te vinden en voorts dat daarbij als beoordelingsmoment het moment van de uitspraak dient te worden aangehouden. Zoals bij de bespreking hierna in 2.5 t/m 2.5.2 van de subonderdelen 1.4 en 1.5 nader zal worden uiteengezet, heeft het hof niet uit het oog verloren dat bij de vaststelling of aan de eis van aanwezigheid van een spoedeisend belang is voldaan, een afweging van de belangen van de betrokken partijen dient plaats te vinden.
subonderdelen 1.4 en 1.5komen hierop neer dat het hof de vraag van spoedeisendheid onvoldoende gemotiveerd heeft beantwoord, doordat het in zijn beoordeling niet de in deze subonderdelen genoemde stellingen van KD heeft betrokken. Deze onderdelen treffen om de na te noemen redenen geen doel.
( [8] )wellicht spoedeisend belang zou kunnen hebben, doet dat voor de thans voorliggende beoordeling – [van de aanwezigheid van een spoedeisend belang van KD bij de op de putoptie stoelende vorderingen] – niet ter zake, want haar vorderingen zagen niet op maatregelen aangaande die betrokkenheid, te verstrekken informatie of soortgelijke kwesties. Deze weerlegging van KD’s beroep op het tijdsverloop wordt in subonderdeel 1.6 als een (onvoldoende) begrijpelijke weerlegging bestreden: het feit dat de vorderingen van KD niet zien op maatregelen aangaande de betrokkenheid van KD als aandeelhouder, te verstrekken informatie of soortgelijke kwesties, betekent niet dat haar beroep op tijdsverloop niet relevant is voor de vraag of zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
subonderdelen 1.3 en 1.7betreft, zij slagen niet wegens gemis aan feitelijke grondslag. Zij stoelen immers op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof concludeert niet tot afwezigheid van spoedeisendheid, omdat er sprake is van een rechtsvraag waarop het antwoord niet evident is of omdat bij een veroordeling in kort geding tot betaling van een geldsom terughoudendheid op zijn plaats is.
subonderdeel 2.1wordt uitgegaan van het doeltreffen van één of meer klachten uit onderdeel 1. Nu dat niet het geval is, kan ook subonderdeel 2.1 KD niet baten.
subonderdeel 2.2wordt op basis van de veronderstelling dat het hof heeft miskend dat de toewijsbaarheid van een vordering in kort geding afhankelijk is van een belangen-afweging waarbij bepaalde aspecten een rolspelen, het hof verweten van een onjuiste rechtsopvatting te zijn uitgegaan. In hetgeen het hof in met name rov. 3.4.1 overweegt, valt echter de veronderstelde miskenning door het hof niet te lezen. Dit betekent dat subonderdeel 2.2 feitelijke grondslag mist en om die reden geen doel kan treffen.
subonderdeel 2.3wordt als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd bestreden het oordeel van het hof in rov. 3.4.1, dat de beoordeling van het non-concurrentiebeding in kort geding niet aangewezen is. Daartoe wordt aangevoerd dat het feit dat geen nakoming van het non-concurrentiebeding op straffe van een dwangsom was overeengekomen dan wel gevorderd, nog niet maakt dat KD geen belang heeft bij toewijzing van een gebod aan Euromedic om te gehengen en te gedogen dat KD in weerwil van het non-concurrentiebeding vanaf 27 juni 2013 weer medische diensten verricht.
niet in staat is om enige vorm van inkomsten te generen”en dat haar dit blokkeert
“in het ontplooien van de activiteiten waarmee hij in staat is geld te verdienen”. Van die stellingen wordt gezegd dat zij onbestreden zijn gebleven. Daarmee wordt beoogd aan te geven dat de twee stellingen in cassatie inhoudelijk voor juist kunnen worden gehouden.