Conclusie
eerste middelklaagt over verwerping van het beroep op nietigheid van de dagvaarding.
11.Het eerste middel faalt.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld “dat pas vanaf het moment dat de officier van justitie de aanhouding van verzoeker en zijn medeverdachten beval op 3 april 2011, welke aanhouding op 4 april 2011 aan hem bekend werd gemaakt, sprake was van strafvorderlijke bevoegdheden en de Commandant van de HMS Tromp in de daaraan voorafgaande fase bevoegd was op te treden op grond van art. 105 UNCLOS Pro en art. 7 SUA Pro.” De stelling is dat de genoemde internationale regels geen strafvorderlijke bevoegdheden verschaffen en dat als het optreden in de eerste fase wordt gebaseerd op de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering inzake ‘Strafvordering buiten het gebied van een rechtbank’ (Boek IV, titel VIA art. 539a e.v. Sv) bij de toepassing vormverzuimen zijn gepleegd.
Temporary Holding Facilityvan Hr. Ms. Amsterdam. Op 21 november 2010 wordt hij aangehouden op basis van verdenking van zeeroof. De raadsman heeft aangevoerd dat de aan de aanhouding voorafgaande twee dagen durende detentie, in strijd was met art. 5 EVRM Pro. Het Hof neemt dienaangaande het standpunt in dat die detentie van de verdachte voorafgaande aan zijn aanhouding een juridische basis vond in het internationale recht, in het bijzonder art. 105 UNCLOS Pro en art. 3 en Pro 7 SUA, en verwerpt op die grond het verweer. Keijzer merkt ten aanzien van deze beslissing in zijn noot onder het arrest het volgende, met weglating van noten, op:
Van Dam(PvdA): Ik heb een vraag naar aanleiding van de opmerking van de minister over de verdenking van piraterij. Zowel het Zeerechtverdrag als de VN-resoluties bieden de mogelijkheid om in te grijpen bij verdenking van piraterij, bijvoorbeeld om doorzoeking van een schip uit te voeren. Is dit een bevoegdheid die valt onder de Defensiekant van de operatie of komt daarbij ook de Justitiekant kijken? Wie is aan zet op het moment dat er een schip wordt gesignaleerd dat wordt verdacht van piraterijactiviteiten?
Hirsch Ballin: Dat ligt eraan wat wij in dit verband precies moeten verstaan onder «verdenking». Ik sluit niet uit dat dit woord in internationale statements iets breder wordt gebruikt dan als wij het hebben over een verdenking in de zin van het Wetboek van Strafvordering.
Van Dam(PvdA): Daarover ging mijn vraag in eerste termijn. Op welk moment kan actie worden ondernomen? Wat moet iemand ervoor doen dat er kan worden ingegrepen? Het varen met een bootje met wapens aan boord lijkt mij onvoldoende grond voor ingrijpen, maar ik weet niet precies hoe dat zit. Wat is het moment waarop er militair kan worden ingegrepen?
Hirsch Ballin: De preventieve taak kan worden vervuld op basis van de veiligheidsresolutie in aanvulling op artikel 110 van Pro UNCLOS. «When a ship is engaged to piracy», dan is er een bevoegdheid voor de marine om op te treden in het kader van een soort ordetaak op zee. Blijkt vervolgens dat er wapens zijn of dat er bewegingen worden gemaakt in de richting van een koopvaardijschip, dan zou de drempel kunnen worden overschreden naar de strafvorderlijke verdenking. Dan gaat het gezag over naar de lijn die van de hulpofficier van justitie naar het Openbaar Ministerie loopt.
Hirsch Ballin: Hoe dan ook: op het moment dat zich een situatie voordoet die je moet zien als verdenking van misdrijven of van voorbereidingshandelingen daarvoor, heb je te maken met een strafvorderlijke context. Dan is de commandant op grond van artikel 539a van het Wetboek van Strafvordering bevoegd om zelfstandig op te treden als de officier van justitie niet bereikbaar is. In zijn instructie staat echter dat hij dan zo snel mogelijk contact dient op te nemen met de officier van justitie, die daartoe uiteraard ook dag en nacht bereikbaar is. Dat is de manier waarop de bevoegdheden liggen en waarop wij de afspraken hebben gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid van de daartoe opgeleide en ervaren commandant om te beoordelen of hij optreedt in de defensiecontext van resoluties en artikel 110 UNCLOS Pro dan wel minstens behoefte heeft aan ruggespraak met de officier van justitie, omdat zich een strafvorderlijke context aandient.”
32.Ook het tweede middel faalt.
derde middelklaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] (G1)(als schriftelijk bescheid) en [betrokkene 3] (G14), omdat er geen, althans onvoldoende gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen, terwijl het Hof in het midden heeft gelaten of de Staat zich voldoende inspanningen heeft getroost om het verzoek de getuigen te horen in te willigen. In ieder geval is er sprake van een motiveringsgebrek wegens het ontbreken van een beslissing op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen niet voor het bewijs mochten worden gebruikt, omdat er onvoldoende inspanningen zijn gedaan om de getuigen te horen.
40.Het derde middelfaalt.
vierde middelklaagt over het gebruik van de verklaring van de getuige G14 ( [betrokkene 3] ). Nu deze getuige zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris heeft ingetrokken konden eerdere verklaringen van de getuige slechts worden gebruikt indien de getuige ten overstaan van het Hof zou zijn gehoord.
44.Het vierde middelfaalt.
vijfde middelbetreft (opnieuw) het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 1] (G1), [betrokkene 3] (G14) en tevens van [betrokkene 4] (V15). Het middel spitst zich toe op de stelling dat de bewezenverklaring in beslissende mate op die verklaringen is gebaseerd, terwijl de verklaringen door de verdediging betwist zijn en er geen althans onvoldoende gelegenheid is geweest om de getuigen te ondervragen en/of hun verklaringen te toetsen.
47.Het vijfde middelfaalt.
zesde middelziet op de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de bewezenverklaring. Het middel vormt vooral een herhaling van hetgeen in feitelijke aanleg is aangevoerd en daarop heeft het Hof uitvoerig gereageerd.