ECLI:NL:PHR:2015:1371

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
27 juli 2015
Zaaknummer
14/03291
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 22g SrArt. 27 SrArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onbegrijpelijke toepassing van art. 22b lid 2 Sr bij taakstrafoplegging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor mishandeling en eenvoudige belediging van een ambtenaar. Het hof motiveerde de strafoplegging mede met een verwijzing naar art. 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, stellende dat dit artikel aan het opleggen van een taakstraf in de weg stond.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie bleek dat verdachte eerder een werkstraf was opgelegd die niet volledig was uitgevoerd, maar er was geen aanwijzing dat de vervangende hechtenis was bevolen. Volgens de Hoge Raad staat art. 22b lid 2 Sr alleen aan het opleggen van een taakstraf in de weg indien de vervangende hechtenis is bevolen op grond van art. 22g Sr.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het middel terecht was voorgesteld en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk was. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de strafoplegging en verwerpt het beroep voor het overige. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging gevonden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging wegens onbegrijpelijke toepassing van art. 22b lid 2 Sr.

Conclusie

Nr. 14/03291
Zitting: 2 juni 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 20 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “mishandeling” en 2. “Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelkomt op tegen de strafmotivering en bevat de klacht dat noch uit het zich bij de stukken van het geding bevindende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, noch uit enig ander gedingstuk, kan worden afgeleid dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond.
Het bestreden arrest houdt als strafmotivering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder artikel 22b, tweede lid van het Wetboek
van Strafrecht in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die leiden tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur.”
5. Ik ben van mening dat deze overweging niet anders kan worden verstaan dan dat het hof heeft geoordeeld dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond.
6. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, dat ingevolge art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is toegezonden, blijkt dat aan verdachte bij vonnis van 12 maart 2010, parketnummer 05-600604-09, onherroepelijk geworden op 22 maart 2011, een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren is opgelegd. Hierbij staat vermeld ‘volledig tenuitvoergelegd bij 05-015131-13’.
7. Uit dit Uittreksel blijkt eveneens dat de verdachte bij vonnis van 22 maart 2013, parketnummer 05-015131-13, onherroepelijk geworden op 6 april 2013 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Bij deze zaak staat als beslissing tevens vermeld “40 Uren Werkstraf subsidiair 20 Dagen Hechtenis, volledige tenuitvoerlegging van 05-600604-09”, direct gevolgd door “Executie: --> 24 juli 2013 – 30 oktober 2013. Niet voldaan”.
8. Hieruit kan worden afgeleid dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 12 maart 2010 voorwaardelijk opgelegde werkstraf bij vonnis van 22 maart 2013 geheel is toegewezen. Tevens kan daaruit worden opgemaakt dat de opgelegde werkstraf kennelijk niet (of niet geheel) is voldaan.
9. Dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, valt uit deze documentatie echter niet af te leiden. Het oordeel van het hof dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk, nu art. 22b, tweede lid, Sr alleen dan aan het opleggen van een taakstraf in de weg staat indien – voor zover hier van belang – op grond van art. 22g Sr de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
10. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat de beslissingen ter zake van de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG