ECLI:NL:PHR:2015:119

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2015
Publicatiedatum
20 februari 2015
Zaaknummer
14/05955
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 15b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toelating schuldsaneringsregeling

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag is verzoeker op verzoek van de Staat der Nederlanden in staat van faillissement verklaard. Verzoeker diende vervolgens een verzoek in tot opheffing van het faillissement en gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker ging in hoger beroep, maar het gerechtshof Den Haag bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat verzoeker wegens aan hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig het verzoek had ingediend.

Het hof stelde vast dat verzoeker de oproepbrief van de griffier, waarin hij werd geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot schuldsanering, voor ontvangst had ondertekend. Daarnaast was niet aannemelijk dat verzoeker zich zou inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, aangezien hij nog geen serieuze pogingen had ondernomen om betaald werk te vinden. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de stelling dat verzoeker de oproepbrief niet had getekend, maar dit werd verworpen op grond van het proces-verbaal.

De Hoge Raad concludeerde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en wees het verzoek tot opheffing van het faillissement en toelating tot de schuldsaneringsregeling af op grond van artikel 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement en toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens niet-tijdige indiening en onvoldoende inspanningen van verzoeker.

Conclusie

14/05955
Mr. L. Timmerman
Zitting 9 januari 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
(hierna: [verzoeker]).
1. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2014 is [verzoeker] op verzoek van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in staat van faillissement verklaard. Op 25 juli 2014 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Den Haag heeft [verzoeker] bij vonnis van 3 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 20 november 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd het volgende overwogen. [verzoeker] heeft wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 19 september 2014 volgt dat [verzoeker] niet heeft betwist dat hij de oproepbrief van de griffier, waarin hij in kennis is gesteld van de mogelijkheid om een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen, voor ontvangst heeft ondertekend (rov. 8 van het arrest van het hof). Maar ook anders zou [verzoeker] verzoek om de door de rechtbank genoemde redenen op inhoudelijke gronden moeten worden afgewezen. Zo heeft [verzoeker] niet betwist dat het CJIB boetes heeft opgelegd voor in totaal € 32.000,- in verband met het in dienst hebben van personeel zonder verblijfspapieren. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, nu hij nog geen serieuze pogingen heeft ondernomen om betaald werk te vinden (rov. 9).
2 Het op 27 november 2014 (en derhalve tijdig) ingediende cassatieverzoekschrift valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt kort gezegd dat uit het proces-verbaal van de zitting van 19 september 2014 geenszins kan worden opgemaakt dat [verzoeker] de oproepbrief voor ontvangst heeft getekend. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien in het proces-verbaal is te lezen dat de rechtbank constateert dat [verzoeker] de oproepbrief voor ontvangst heeft getekend, waarna namens [verzoeker] wordt geantwoord: ‘hij weet het niet meer’. Dat het hof deze woorden niet als een betwisting heeft aangemerkt, acht ik onjuist noch onbegrijpelijk. Het falen van onderdeel 1 betekent dat onderdeel 2, dat zich tegen een ten overvloede gegeven oordeel keert, geen nadere bespreking behoeft.
3 De in het voorliggende cassatieberoep opgeworpen klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G