ECLI:NL:PHR:2015:119
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toelating schuldsaneringsregeling
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag is verzoeker op verzoek van de Staat der Nederlanden in staat van faillissement verklaard. Verzoeker diende vervolgens een verzoek in tot opheffing van het faillissement en gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker ging in hoger beroep, maar het gerechtshof Den Haag bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat verzoeker wegens aan hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig het verzoek had ingediend.
Het hof stelde vast dat verzoeker de oproepbrief van de griffier, waarin hij werd geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot schuldsanering, voor ontvangst had ondertekend. Daarnaast was niet aannemelijk dat verzoeker zich zou inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, aangezien hij nog geen serieuze pogingen had ondernomen om betaald werk te vinden. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de stelling dat verzoeker de oproepbrief niet had getekend, maar dit werd verworpen op grond van het proces-verbaal.
De Hoge Raad concludeerde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en wees het verzoek tot opheffing van het faillissement en toelating tot de schuldsaneringsregeling af op grond van artikel 80a lid 1 RO.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement en toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens niet-tijdige indiening en onvoldoende inspanningen van verzoeker.