Conclusie
middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop – en daarmee welwillend gelezen –, klaagt over het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.
echtgenootis van hem, tegen wien het misdrijf gepleegd werd, met deze beperking (ontleend aan het ontwerp van 1847), dat de uitsluiting niet geldt, in geval de echtgenooten van tafel en bed gescheiden zijn. [1] Door het huwelijk ontstaat eene vereeniging, die ook op de wederzijdsche goederen der echtgenooten grooten invloed uitoefent, die een gemeenschappelijken eigendom, althans een gemeenschappelijk bezit of eene gemeenschappelijke bestemming van het goed, eene eigenaardige regeling van het beheer en regt van beschikking ten gevolge heeft, zelfs waar de gemeenschap formeel is uitgesloten of beperkt. De grond van art. 343, al. 1, blijft dus voortbestaan zoolang de verpligting tot zamenwoning aanwezig is (…).” [2]