Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.in totaal $ 17.600.000 (€ 12.488.505). Daarvan kwam € 7.417.993 ($ 10.454.148) toe aan haar op de Nederlandse Antillen gevestigde 59,4%-aandeelhoudster [D] Holdings N.V.; daarop heeft zij 8,3% dividendbelasting ($ 867.694 of € 615.693) ingehouden en afgedragen. Haar bezwaar tegen die afdracht is afgewezen, waarna zij beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank Noord-Holland.
overkillin die bepaling tegen te gaan. Bij de invoering van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 is die uitzondering, die de belanghebbende in casu gered zou hebben, zonder verklaring verdwenen. Ook de huidige tekst maakt geen uitzondering voor gevallen waarin niet getwijfeld hoeft te worden aan het kapitaalrestitutiekarakter van de betaling aan de aandeelhouders. De jurisprudentie over deze bepaling vertoont dan ook een consistente inflexibiliteit, vermoedelijk mede gezien het gegeven dat heffing voorkomen kan worden door agio om te zetten in formeel kapitaal, dat vervolgens statutair verminderd kan worden. Wel is enige tijd bij Ministeriële Aanschrijving het beleid gevoerd dat agio in contanten niet werd belast, en ook die Aanschrijving zou de belanghebbende in casu gered hebben, maar die Aanschrijving is wegens misbruik ervan in 1957 weer ingetrokken.
winstreserves gaat die – na liquide worden – alsnog tot uitkering kunnen komen. De goede-koopman-uitzondering in de DTB uit 1931 die in belanghebbendes geval aan heffing in de weg zou hebben gestaan, is in 1941 verdwenen bij de overgang van een niet-verrekenbare winstuitdelingsbelasting (de DTB) naar de combinatie van een vennootschapsbelasting en een verrekenbare dividendbelasting; voor die redelijkheidsuitzondering kwam toen in de plaats dezelfde
escapeals die welke reeds in de Wet IB 1914 bestond, nl. (omzetting van agio in statutair kapitaal gevolgd door) kapitaalterugbetaling na een tot kapitaalvermindering strekkende statutenwijziging. Die weg zou aan de belanghebbende open hebben gestaan. Ik meen daarom dat belanghebbendes eerste middel faalt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Feiten
3.Het geding in cassatie
maguitkeren voor zover haar eigen vermogen kleiner is dan het gestorte en opgevraagde kapitaal vermeerderd met de reserves die zij krachtens de wet of de statuten moet aanhouden.
4.De geen-zuivere-winst-voorwaarde in art. 3(1)(d) Wet DB
Wetsgeschiedenis
escapemoest worden ingevoerd voor gevallen waarin goed koopmansgebruik ertoe zou nopen de uitbetaling ten laste van gestort kapitaal te boeken. Die
escapekwam er vervolgens: “…. ten ware goed koopmansgebruik vordert, dat de terugbetaling ten laste van het kapitaal geschiedt.”
escapedie in de Wet DTB was opgenomen, hetgeen voor de hand ligt omdat de dividendbelasting geen (uitgedeelde-)winstbelasting ten laste van de vennootschap was, maar een (voorheffing op de) inkomstenbelasting ten laste van de aandeelhouders. Aan zo’n
escapebestond ook geen behoefte meer, omdat het Besluit DB 1941 het in navolging van art. 6 Wet Pro IB 1914 mogelijk maakte om aan heffing over kapitaalterugbetaling te ontkomen door voorafgaande statutaire kapitaalvermindering.
winstbelasting op uitgedeelde winst), dat bij de Wet van 29 januari 1931, Stb. 38, werd ingevoerd:
zonderstatutenwijziging plaats heeft, daar het in het tegenovergestelde geval voor den aandeelhouder moeilijk te beoordeelen is, of in wezen een uitkeering uit de winst plaats heeft.”
overkillin: [9]
escapevan zijn voorganger art. 5(1)(b) Wet DTB 1917 ontbrak, en daartegenover werd onbelaste terugbetaling na statutenwijziging mogelijk. Dat lag voor de hand, nu een separate vennootschapsbelasting werd ingevoerd die onafhankelijk van uitdeling geheven zou worden, en een dividendbelasting die als voorheffing op de inkomstenbelasting moet fungeren, moet stroken met die eindheffing. Art. 2 Besluit Pro DB 1941 luidde als volgt:
escapevan art. 5 Wet Pro DTB de belanghebbende gered zou hebben: een goede koopman houdt zich immers aan dwingende boek 2 BW-regels en doet geen nietige winstuitdelingen die de wettelijk verplichte crediteursbescherming in gevaar brengen. Bij gebrek aan uitkeerbare winst kán belanghebbendes betaling volgens goed koopmansgebruik slechts een terugbetaling van agio zijn geweest.
escapein art. 5(1) DTB, die gold van 1931 tot 1941, zou ook deze beleidsregel de belanghebbende gevrijwaard hebben van de heffing van dividendbelasting. Na drie jaar, in 1957, werd deze goedkeuring echter weer ingetrokken voor wat betreft de terugbetaling van agio, omdat er misbruik van werd gemaakt: [13]
winstbelasting was; zie 4.1 en 4.3 hierboven) dat hetgeen bij liquidatie van een vennootschap boven het gestorte kapitaal aanwezig is, als winst moet worden beschouwd:
uit de winstden deelgerechtigden in de winst ten goede komt, doch de raad voorbijziet, dat hetgeen bij liquidatie van naamlooze vennootschappen en daarmede gelijkgestelde lichamen boven het gestorte kapitaal aanwezig is, als winst moet worden beschouwd;
overkill-bepaling in de wet was opgenomen:
goodwill. Maar een winstverwachting die zich niet vertaalt in
goodwillkan volgens hen niet tot de ‘zuivere winst’ worden gerekend. Onder ‘gestort kapitaal’ valt volgens hen ook eventueel fiscaal niet-erkend maar wel gestort kapitaal:
5.Wettelijke reserves die ex art. 2:105(2) BW niet mogen worden uitgekeerd
hedge-instrumenten (art. 390), de voordelige koersverschillen bij beleggingsmaatschappijen die rechtstreeks in het eigen vermogen worden verantwoord (art. 401(2)) en valutaomrekeningsverschillen bij banken die rechtstreeks in het eigen vermogen worden verantwoord (art. 423(4)).
kapitaalbescherming. Zie bijvoorbeeld de art. 207/98(2)(a) betreffende de verwerving van eigen aandelen en 216/105(2): aan aandeelhouders en andere winstgerechtigden mag slechts dan een uitkering worden gedaan indien en voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde kapitaal ‘vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden’. Het gaat hier om de bescherming van het vermogen van de verslaggevende rechtspersoon. Vandaar dat de regels daaromtrent alleen gelden voor diens enkelvoudige balans (aan de hand waarvan beoordeeld wordt of uitkeringen dan wel inkoop van eigen aandelen zijn toegestaan), niet diens geconsolideerde balans.”
6.Aandelen zonder winstrecht; de Flex-BV
7.Beschouwing en behandeling van de middelen
i.e.(nog) niet uitkeerbare niet-liquide resultaten op deelnemingen.
eistdat de belanghebbende civielrechtelijk nietige winstuitdelingen verricht; de fiscale wet
fingeertslechts een winstuitdeling ook voor het geval die er civielrechtelijk wellicht niet is. Het belastingrecht gaat hier zijn eigen weg, los van het gemene recht, net als bij bijvoorbeeld de informele kapitaal-storting. De fiscale wet belet de belanghebbende geenszins haar terugbetaling commercieel ten laste van haar agioreserve te boeken en aldus civielrechtelijke consequenties zoals onverschuldigde betaling, terugvorderbaarheid en aansprakelijkheid te vermijden. Die civielrechtelijke boeking wordt alleen fiscaalrechtelijk niet gevolgd. Met een beroep op de civielrechtelijke regel kan de fiscale norm, hoe onredelijk wellicht ook, niet ontkracht worden, te meer niet nu de genoemde rechtszekere uitwijkroute bestaat.