ECLI:NL:PHR:2014:695

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
8 juli 2014
Zaaknummer
13/02445
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66, tweede lid, SvArt. 71 SvArt. 75 SvArt. 80a ROArt. 87 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis en belanghebbendheid verdachte

In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden verdachte veroordeeld voor afpersing en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, met een gevangenisstraf van 30 maanden en een schadevergoedingsmaatregel. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen een tussenuitspraak over zijn voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad overweegt dat het belang van verdachte bij het cassatieberoep niet evident is, omdat niet is gesteld of verdachte nog in voorlopige hechtenis is. Tevens ontbreekt een vereiste toelichting over het belang van het cassatieberoep en het belang bij vernietiging van het bestreden arrest.

De Hoge Raad benadrukt dat hij in beginsel niet oordeelt over voorlopige hechtenis, omdat daartegen alleen hoger beroep openstaat. Alleen bij klachten over tussen- of nevenuitspraak kan de Hoge Raad zich uitlaten, mits het belang voor de praktijk aanwezig is. Dit belang ontbreekt hier.

Verder licht de Hoge Raad toe dat het bevel voorlopige hechtenis van de rechtbank blijft gelden zolang het hof binnen de wettelijke termijn het onderzoek aanvangt en dat het hof periodiek toetst. De stelling van verdachte dat art. 75 Sv Pro een nieuwe beslissing over voorlopige hechtenis vereist, wordt niet gevolgd.

De conclusie van de Procureur-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen wegens gebrek aan belang en onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens ontbreken van belang en onvoldoende onderbouwing.

Conclusie

Nr. 13/02445
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 20 december 2012 de verdachte ter zake van 1. “afpersing” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven pistool. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
Mr. B. Munneke, advocaat te Velsen, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het
middelklaagt over een tussenuitspraak aangaande de voorlopige hechtenis.
3.2. In de schriftuur wordt de vraag voorgelegd of het openbaar ministerie in hoger beroep de verlenging van de voorlopige hechtenis moet vorderen – en de rechter in hoogste feitelijke instantie daarop moet beslissen – in de situatie waarin een eerste zitting in hoger beroep plaatsvindt binnen de zestig-dagen-termijn van art. 66, tweede lid, Sv.
3.3. In beginsel heeft de Hoge Raad niet de mogelijkheid om zich uit te laten over rechtsvragen die de voorlopige hechtenis betreffen. Op grond van de artikelen 71 en 87 Sv staat tegen beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis immers alleen hoger beroep open. Dit ligt anders wanneer er naar aanleiding van een tussen- of nevenuitspraak in cassatie over wordt geklaagd. Indien de Hoge Raad de betreffende rechtsvraag van belang voor de praktijk acht, worden dergelijke klachten besproken. Doorgaans is dat echter niet het geval. [1]
3.4. Bij de bespreking van het middel mist de verdachte het vereiste belang. Ik voeg daar ten overvloede nog het volgende aan toe. Ook indien de voorlopige hechtenis lopende de appelprocedure wordt tenuitvoergelegd op grond van het door de rechtbank gegeven bevel, is er de periodieke toetsing door het Hof. Dat die waarborg wordt gerealiseerd, is bepalend. Het door de rechtbank gegeven bevel voorlopige hechtenis blijft van kracht indien het onderzoek door het Hof is aangevangen voordat zestig dagen na de dag van de einduitspraak van de rechtbank zijn verstreken (art. 66, tweede lid, Sv). Een dergelijk geval zal zich gelet op de korte tijdspanne niet spoedig voordoen, maar tevens is dat bij gelegenheid van de aanvang van het onderzoek door het Hof verzoeken inzake de voorlopige hechtenis kunnen worden gedaan. Verzoeken zijn bovendien mogelijk op eventueel noodzakelijke vervolgzittingen. De steller van het middel betoogt vooral dat de bewoordingen van de eerste en tweede volzin van het eerste lid van art. 75 Sv Pro hierop niet aansluiten. De eerste volzin dwingt mijns inziens niet tot een nieuwe beslissing over de voorlopige hechtenis indien er nog een bevel loopt, terwijl er in de praktijk niemand is die zich op een ander standpunt stelt dan dat bij de tenuitvoerlegging van een bevel voorlopige hechtenis dat door de rechtbank is gegeven voor het Hof de in de tweede volzin genoemde bepalingen geacht worden van overeenkomstige toepassing te zijn.
3.5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
3.6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Zie ook Melai/Groenhuijsen, aantekening 4.7 bij art. 428 Sv Pro (bewerkt door A. Dingemanse).