ECLI:NL:PHR:2014:679
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake huwelijksvermogensrechtelijke overeenkomst van uitzet onder Turks recht
De man en vrouw, beiden met Turkse nationaliteit en woonachtig in Nederland, zijn in 2002 in het Turkse consulaat te Rotterdam gehuwd. Na hun echtscheiding in 2012 werd door de rechtbank Rotterdam bepaald dat de man aan de vrouw €50.000 moest betalen op grond van een voor het huwelijk gesloten 'overeenkomst van uitzet'. De man ging hiertegen in hoger beroep, maar het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde het vonnis.
De man stelde in cassatie twee middelen aan: het hof zou het Turkse recht onjuist hebben toegepast en had het islamitisch gewoonterecht bij de uitleg van de overeenkomst moeten betrekken. De Hoge Raad oordeelde dat klachten over de uitleg of toepassing van buitenlands recht niet ontvankelijk zijn in cassatie op grond van art. 79 lid 1 RO Pro.
Verder verwierp de Hoge Raad het betoog dat het hof het beroep op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht ten onrechte had gepasseerd, omdat het hof de overeenkomst kwalificeerde als huwelijksvermogensrecht waarop Turks recht van toepassing is en geen nietigheid of strijd met openbare orde zag. Ook het middel over het islamitisch gewoonterecht faalde wegens onjuiste lezing van het vonnis en art. 79 lid 1 RO Pro. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het hof vonnis bekrachtigd.