ECLI:NL:PHR:2014:678

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
4 juli 2014
Zaaknummer
14/02049
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 4 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en afwijzing omgangsregeling wegens ernstige vertrouwensbreuk tussen ouders

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het besluit van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd waarbij het gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen is beëindigd en het gezag aan de moeder is toegekend. Tevens is het verzoek van de vader om een omgangsregeling met de kinderen afgewwezen.

Het hof oordeelde dat de verhouding tussen de ouders ernstig verstoord is door een vertrouwensbreuk, mede veroorzaakt door mishandeling van de moeder door de vader en een procedure tot ontkenning van het vaderschap. Het gedrag van de vader tijdens het omgangstraject heeft het wantrouwen en het gevoel van onveiligheid bij moeder en kinderen versterkt. Het hof achtte het noodzakelijk eerst rust te creëren om het verleden met hulpverlening te verwerken voordat omgang kan worden vastgesteld.

De vader stelde vier klachten in cassatie, waaronder onvoldoende feitenonderzoek en het niet zoeken naar alternatieve omgangsmogelijkheden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen cassatiegrond vormen. De Raad voor de Kinderbescherming was aanvankelijk positief over omgang, maar adviseerde later negatief vanwege het gedrag van de vader. De klachten over het ontbreken van de Raad in de zitting en vermeende schending van verdragsbepalingen faalden wegens onvoldoende onderbouwing.

Het cassatieberoep is daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO, waarmee het hofvonnis definitief is.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het hofvonnis blijft in stand.

Conclusie

Rolnr. 14/02049
Mr M.H. Wissink
Zitting van 27 juni 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:

[de man],

verzoeker tot cassatie
tegen

[de vrouw],

verweerster in cassatie
1.
Het bij verzoekschrift, ingekomen op 18 april 2014, tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 22 januari 2014. Daarin heeft het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013 bekrachtigd, welke beschikking strekte tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de twee minderjarige kinderen van partijen, bepaling dat het gezag over de kinderen voortaan aan de moeder toekomt en afwijzing van het verzoek van de vader om tussen hem en de kinderen een omgangsregeling te bepalen. Verweerster heeft conform art. 9a.8 van het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden verzocht om uitstel voor haar verweer tot na de beslissing omtrent de toepassing van art. 80a RO.
2.
Het Hof oordeelt dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de ouders. Uit het verhoor van het oudste kind, [het kind], is het Hof gebleken dat vader ook het vertrouwen van de kinderen heeft geschonden. De gebeurtenissen uit het verleden – waaronder de mishandeling van moeder door vader, waarvoor vader strafrechtelijk is veroordeeld – en de door vader geëntameerde procedure tot ontkenning van het vaderschap hebben op de kinderen grote impact gehad. Voorts heeft vader het omgangstraject bij het Rotterdams Omgangshuis niet gebruikt om het vertrouwen te herstellen, maar met zijn gedrag het gevoel van onveiligheid en het wantrouwen bij zowel moeder als de kinderen vergroot. Onder deze omstandigheden acht het hof het van belang moeder en kinderen eerst een periode van rust te geven, zodat zij het verleden met hulpverlening kunnen verwerken. De vader zal enige tijd een pas op de plaats hebben te maken en geen druk meer moeten kunnen leggen op de minderjarige(n) en de (geheime) verblijfplaats van de moeder en de minderjarigen dienen te respecteren (rov. 8). Daarna dient de vertrouwensbreuk te worden hersteld alvorens een omgangsregeling kan worden vastgesteld (rov. 10).
3.
Het middel bevat vier klachten, te weten dat het Hof onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juiste feiten en de mogelijkheden (nr. 10); dat het Hof onvoldoende heeft meegewogen dat de vader waar nodig zijn medewerking heeft verleend aan de moeder bij de uitvoering van het gezag (nr. 11); dat onduidelijk is waarom de Raad voor de Kinderbescherming niet heeft deelgenomen aan de procedure in appel en waarom het Hof het herstel van de vertrouwensbreuk aan de vrije wil van partijen overlaat (nr. 12); en tenslotte dat het Hof in strijd met art. 6 en Pro 8 EVRM en art. 3, 4, 9, en 18 IVRK geen alternatieve mogelijkheden heeft gezocht (nr. 13).
4.
De vier klachten rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Voor zover het middel in
nr. 13stelt dat de Raad voor de Kinderbescherming positief is over het tot stand brengen van omgang tussen vader en kinderen, mist het feitelijke grondslag: de Raad was aanvankelijk positief over een proefregeling, maar adviseerde door de houding en het gedrag van vader tijdens de proefomgang uiteindelijk negatief. [1]
De overige door het Hof in rov. 8-10 genoemde omstandigheden bestrijdt het middel niet, evenmin als de door het Hof in rov. 7 gehanteerde maatstaf omtrent de noodzaak tot wijziging van het gezag en de in rov. 10 gehanteerde maatstaf omtrent het totstandbrengen van omgang met de kinderen.
De door het Hof genoemde omstandigheden kunnen zijn oordeel omtrent de wijziging van het gezag en de ontzegging van de omgang dragen. Het middel geeft niet aan welke essentiële omstandigheden het Hof heeft miskend, noch welke door vader geopperde of anderszins nog openstaande mogelijkheden het Hof had moeten verkennen. Gezien het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is voorshands niet duidelijk om welke mogelijkheden dit zou gaan. De
klachten in nr. 10, 11 en 13lopen hierop stuk.
De klacht in
nr. 12miskent dat de Raad wel degelijk door het Hof is gekend, maar dat de Raad heeft laten weten niet ter zitting in hoger beroep te zullen verschijnen. De Raad had zijn standpunt reeds in eerste aanleg toegelicht.
Voor zover de klacht in
nr. 13nog betoogt dat op andere gronden verdragsbepalingen zijn geschonden, faalt zij wegens het ontbreken van een toelichting op hoe welk artikel door welke beslissing van het Hof geschonden zou zijn.
5.
Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de zitting van de Rb Rotterdam van 11 april 2013, p. 2, 3e alinea; beschikking van de Rb Rotterdam van 25 april 2013, blad 2.